Auke Plantinga
i-VNWGBcp-L.jpg

Een van de grote enigma’s van nu is het uitblijven van productiviteitsgroei. Econoom Auke Plantinga doet een poging tot verklaring: ‘Als kennis eindig is, dan wordt de te ontginnen kennis ook kleiner.’

De economische groei in de laatste twee decennia was aan de lage kant. In de periode van 1961 tot en met 1999 groeide de economie jaarlijks met gemiddeld pakweg 3,5 procent. Vanaf 2000 tot en met 2017 is deze groei ruim gehalveerd, en noteren we slechts zo’n 1,5 procent groei per jaar. Waarom is deze groei zoveel lager geworden?

Economische groei wordt grosso mode bepaald door de groei van de bevolking en door de groei van de productiviteit. Vanaf 2000 groeide onze bevolking slechts langzaam met zo’n 0,4 procent per jaar. De verwachting is dat de bevolking als gevolg van vergrijzing in de nabije toekomst zal krimpen. Economische groei zal dus moeten komen van de groei in productiviteit, waardoor we met dezelfde inzet van kapitaal en met minder arbeid evenveel of meer kunnen produceren.

Helaas is ook de groei in productiviteit in de laatste decennia substantieel lager geweest dan in de periode daarvoor. Volgens een rapport van het Centraal Planbureau uit 2017 bedroeg de groei in productiviteit over de periode vanaf 2000 nog geen procent per jaar. Dit is een opmerkelijk laag percentage, omdat in dezelfde periode een revolutie plaatsvond op het gebied van internet en communicatietechnologie. Bijna iedere Nederlander loopt inmiddels met een smartphone rond die qua prestatie en mogelijkheden een mainframe van 30 jaar geleden ruimschoots verslaat.

In de twintigste eeuw zijn we gewend geraakt om een economische groei van 4 of 5 procent per jaar normaal te vinden. Historisch gezien is dit een uitzonderlijk hoog percentage. Angus Madisson reconstrueerde de groei over langere tijd, en kwam tot de conclusie dat de gemiddelde jaarlijkse groei over de afgelopen tweeduizend jaar zo’n 0,06 procent bedroeg. Robert Gordon bevestigt dit beeld in zijn boek The Rise and Fall of American Growth. Hij laat zien dat de groei in de periode 1870 tot en met 1970 uitzonderlijk hoog was.

Technologie

Een van de belangrijkste verklaringen voor deze groei is de enorme technologische ontwikkeling. Ontdekkingen en uitvindingen volgen elkaar in een rap tempo op. De uitvindingen uit die tijd hadden een enorme impact op de productiviteit. Volgens Gordon zijn het vooral de uitvinding van de verbrandingsmotor en de elektrische lamp die leidden tot een revolutie in het dagelijks leven. De mogelijkheden om met schepen, auto’s, en treinen goederen en personen snel te vervoeren maakten het mogelijk om te specialiseren en schaalvoordelen te behalen.

De meer recente uitvindingen - zoals de smartphone en het internet - zijn wonderen van vernuft en hebben ons dagelijks leven drastisch veranderd. Maar de impact hiervan op de productiviteit verbleekt bij de uitvindingen van toen. Door de zichtbaarheid van de recente uitvindingen hebben we de neiging om het belang ervan te overschatten.

De grote vraag is of er een natuurlijke limiet aan technologische vooruitgang zit. Dit is voer voor filosofen. Als het potentieel van kennis eindig is, dan betekent dit dat iedere keer als de mensheid nieuwe kennis verwerft, de hoeveelheid nog te ontginnen kennis kleiner wordt. Het kan dan ook steeds moeilijker worden om de resterende kennis te verwerven. Een mooi voorbeeld is hoe de mensheid bezig is om kennis te verzamelen over de fundamentele bouwstenen van de natuur, waarbij de kennis over moleculen en atomen aanvankelijk relatief gemakkelijk kon worden verworven. Tegenwoordig zijn voor het verwerven van kennis over nog kleinere deeltjes steeds duurdere experimenten nodig met als voorlopig hoogtepunt de deeltjesversneller van Cern.

De toekomst van technologische vooruitgang laat zich slecht voorspellen. Het is niet uit te sluiten dat er toch een nieuwe golf komt van technologische vernieuwingen die onze productiviteit spectaculair doet toenemen. Wat echter opvalt bij het lezen van het werk van Gordon is dat bij veel technologische vooruitgang sprake is van het gebruik van fossiele energiebronnen. 

Fossiele energiebronnen

Het lijkt erop dat een groot deel van de productiviteitsgroei samenhangt met de inzet van fossiele energiebronnen. Denk daarbij aan de opkomst van de verbrandingsmotor, elektriciteitscentrales en dergelijke. De extreme productiviteitsgroei van 1870 tot 1970 is vermoedelijk deels te danken aan het niet meerekenen van de natuur als productiefactor.

De dreiging van klimaatverandering en de noodzaak tot het overschakelen naar duurzame energiebronnen kan in eerste instantie leiden tot een daling van de productiviteit. Denk daarbij aan perioden met weinig wind en/of zon. Deze problemen kunnen wel overwonnen worden, maar vereisen de inzet van kapitaal bijvoorbeeld in de vorm van dure batterijen voor de opslag van stroom. Tegelijkertijd biedt het volledig overhoophalen van de energievoorziening ook mogelijkheden om een nieuw en meer efficiënt systeem van energievoorziening in te richten. Al met al zal de uiteindelijke impact op productiviteit in eerste instantie negatief zijn, al was het maar vanwege de kosten en onzekerheden die gepaard gaan met het omschakelen. Pas later zal de winst van toegenomen efficiënte kunnen worden ingeboekt.

Met het vooruitzicht van een dalende productiviteit en een krimpende bevolking zou de langetermijngroeiverwachting zomaar negatief kunnen zijn. Dat betekent dat we voor langere tijd zelfs te maken krijgen met een negatieve reële rente. 

Auke Plantinga is universitair hoofddocent aan de faculteit economie en bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen. Deze analyse staat in het Fondsnieuws-magazine dat op 12 december verschijnt.

Author(s)
Categories
Access
Limited
Article type
Article
FD Article
No