De afgelopen vijftien jaar zijn de kosten van Nederlandse beleggingsfondsen exponentieel gestegen – een thema waar de AFM nu vol de schijnwerpers op heeft gericht.
De kostenstijging kan worden geïllustreerd aan de hand van twee vlaggenschepen van de Nederlandse fondsenarmada. Bedroeg de beheerfee van het Robeco-fonds in 1998 nog 0,25 procent, inmiddels bedraagt hij alweer geruime tijd 1 procent. Inclusief servicekosten bedraagt de Total Expense Ratio zo’n 1,12 procent. BNP Paribas Obam, het eerdere Fortis Obam, laat een vergelijkbare kostenstijging zien.
Hans Janssen Daalen (foto), directeur van branchevereniging voor assetmanagers Dufas, verklaart de prijsstijgingen door erop te wijzen dat de Nederlandse fondshuizen hun prijzen aanpasten aan gangbare niveaus in het buitenland.
In 1999 introduceerden buitenlandse fondshuizen bovendien de distributievergoeding. Als gevolg van hun hogere beheerfees konden zij hogere vergoedingen betalen. ‘Nederlandse fondsaanbieders moesten gewoon mee’, aldus Janssen Daalen.
In een toelichting op de prijsstijgingen schreef Robeco in 2001: ‘Zij (banken en vermogensbeheerders, red.) zijn alleen bereid onze fondsen te verkopen als we ze een concurrerende fee betalen.’
‘We deden het, omdat het kon’
Toon Roodbergen was tussen 1996 en 2001 werkzaam bij Fortis Investment Management. ‘Een reden was de distributievergoeding, maar we deden het ook omdat het kon’, vertelt hij.
‘De markt en de financiële pers reageerden niet op een verhoging van de fondskosten. Beleggers liepen niet weg. Het beheerde vermogen groeide gewoon door.’
Jan Lodewijk Roebroek, directeur Nederland van BNP Paribas Investment Partners, ontkent dat het destijds bij Obam gegaan is zoals Roodbergen zegt. ‘Het is niet zo dat we maar wat deden. Bij de prijsverhogingen werd heel zorgvuldig te werk gegaan bij het afwegen van de verschillende belangen.’
Hij sluit zich aan bij Janssen Daalen en wijst erop dat prijsverhogingen bij Obam ook altijd goedgekeurd moeten worden door de raad van commissarissen van het fonds.
Roodbergen: ‘In mijn tijd verhoogden we de kosten van Obam van 0,36 tot ongeveer 0,60 procent. Zette je dat af tegen de Luxemburgse fondsen, dan waren onze fondsen nog altijd goedkoop.’
Europese regelgeving
Dat buitenlandse fondsaanbieders naar de Nederlandse markt kwamen, is het gevolg van de invoering van de Europese Ucits-regelgeving, vertelt Henk van Eldik, die van 1999 tot 2003 bij Fidelity verantwoordelijk was voor de sales in Nederland.
‘Ucits I werd rond ‘89 in de meeste landen geïmplementeerd. Als gevolg daarvan kon je een fonds dat je in een Europees land mocht verkopen, ook gemakkelijker in andere Europese landen verkopen.’
‘Pas veel later ging het fondsaanbod echter echt groeien. Er waren in de jaren zeventig en tachtig maar een paar beleggingsfondsen in Nederland, en die waren traditioneel beursgenoteerd,’ aldus van Eldik.
Azië
Janssen Daalen: ‘In een tijdperk waarin er geen Ucits-paspoort bestond, was de beursnotering voor Robeco het middel bij uitstek om zijn fondsen in het buitenland succesvol onder de aandacht te brengen. De vier fondsen van Robeco waren genoteerd aan alle grote Europese beurzen.’
Begin jaren negentig gingen banken ook eigen fondsen oprichten en verkopen, de zogenoemde huisfondsen. Dit was bij de banken het begin van de scheiding tussen productie en distributie van fondsen. Toen de markten in Azië gingen boomen, kwam er naast deze fondsen vraag naar specifieke fondsen die daar belegden, vertelt Van Eldik.
‘De vraag naar Fidelity-fondsen kwam dus van de banken. Eerst van private banks als MeesPierson en Van Lanschot en later van de grootbanken.’
Hogere TER
ABN Amro bood de Robeco-fondsen al voor 2000 aan via zijn beleggersgiro, maar startte in 2003 met het actief aanbieden van fondsen van andere partijen aan bankklanten, aldus een woordvoerder van ABN Amro. ‘De eerste distributieovereenkomst die hiervoor gesloten werd, was er eentje met Fidelity.’
De reden die de bank hiervoor geeft, is dat er na de beursdip van 2000-2001 vraag kwam van klanten naar buitenlandse fondsen en dat de bank zich realiseerde dat het eigen aanbod niet het hele spectrum besloeg.
Van Eldik: ‘We hadden toen net de IT-bubbel gehad. Veel beleggers die geld hadden verloren, waren het vertrouwen in hun adviseur kwijt. Om het vertrouwen te herstellen gingen grootbanken naast de eigen fondsen ook fondsen van anderen aanbieden. Wij zijn in 2001 met ABN Amro gaan praten.’
Rabobank opende zijn schap in 2006. Naast Robeco-fondsen ging de bank toen fondsen van Merrill Lynch, Fidelity, ABN Amro, ING en Delta Lloyd verkopen, vertelt een woordvoerder.
Total expense ratio
Van Eldik: ‘Fidelity begon internationaal met het verkopen van beleggingsfondsen in Engeland en Duitsland. Dat ging via tussenpersonen, die wij een gedeelte van de managementfee als provisie betaalden.’
‘Fidelity verzorgde echter de gehele administratie en betaalde ook de depotkosten. Als gevolg daarvan was onze total expense ratio (beheervergoeding plus service- kosten, ofwel TER, red.) veel hoger dan die van Nederlandse fondsen.’
‘Het was toen al gangbaar dat een Luxemburgs aandelenfonds een TER had van 1,5 procent. Wij betaalden daar toen maximaal een derde van als distributievergoeding aan de intermediair.’
‘Dit boden we de Nederlandse banken ook voor het geven van advies. Dit werd de helft toen de open architecture in 2002-2003 bij banken echt zijn intrede deed en de concurrentie heviger werd.’
Roodbergen: ‘Die TER’s van 1,5 procent managementfees en totale kostenratio vonden wij toen echt absurd. En datvind ik nog steeds. Van 0,36 procent naar 0,60 procent was al een hele stap, maar daarna zijn de kosten nog een keer verdubbeld.’
Van Eldik wijst erop dat Robeco en Fortis destijds ook marketmaker waren van hun eigen beursgenoteerde fondsen.
Spread
‘Naast de beheervergoeding werd er door de Nederlandse partijen verdiend op de bied- en laatspread.’ Janssen Daalen wil hier geen commentaar op geven. Maar de AFM concludeerde in 2004 na onderzoek dat er door fondshuizen ten onrechte geld werd verdiend op de spread tussen de bied- en laatprijzen.
Volgens Roodbergen kunnen de meeste fondsen ook vandaag de dag nog prima toe met een TER tussen de 0,5 procent en 0,75 procent. ‘De financiële markt is te veel gericht geweest op winstmaximalisatie van de aanbieder en niet van de belegger.’
Vanuit het beleggingsteam werd er weleens gemord om de salesgedreven prijsverhogingen. Met hogere kosten is het moeilijker om de benchmark te verslaan.
‘Maar ach’, zegt Roodbergen, ‘het aantal particuliere beleggers dat na vijf jaar nog weet of zijn portefeuille met fondsen het beter of slechter heeft gedaan dan de benchmark, is op de vingers van één hand te tellen.’
Roodbergen is groot voorstander van het afschaffen van de distributievergoeding, zoals in Nederland naar verwachting in 2014 gaat gebeuren. ‘Dit is goed voor de klant en goed voor de concurrentie met indextrackers, die geen distributievergoedingen betalen.’
Zowel ING Investment Management, BNP Paribas IP als Robeco heeft al rebate vrije shareclasses van een aantal fondsen gelanceerd. Bij ING IM en BNP Paribas IP betekent dit een halvering van de beheerfee. Bij Robeco kosten de kickbackvrije fondsen de helft plus 5 basispunten.
Roebroek: ‘Daarmee zijn we dus terug op het prijsniveau van 1998.’
Perverse prikkel
Roodbergen: ‘Heel weinig klanten hebben in de gaten hoeveel het uitmaakt of je 0,5 procent aan kosten betaalt of 1,5 procent. Ga je uit van een looptijd van dertig jaar en een rendement van 7 procent per jaar, dan scheelt dit bij eenmalige inleg van 100.000 euro aan het eind ruim 160.000 euro.’
‘In plaats van 661.440 euro heb je dan 498.400 euro. Dit komt overeen met het kiezen van het fonds met 0,5 procent kosten en het betalen van een adviesfee van 25.000 euro (25 procent). Dan kun je dus beter aan het begin een keer 1200 euro voor advies betalen en later nog eens 500 euro.’
Van Eldik twijfelt of het afschaffen van de distributievergoeding het probleem van mogelijke perverse prikkels oplost.
‘Iedereen betaalt ze, dus veel maakt het niet uit. Ik geloof meer in het transparant maken van alle kosten. Moeten klanten direct gaan betalen voor advies, dan zullen veel kleine klanten daarvan afzien omdat ze dit niet gewend zijn. De vraag is of zij dan beter af zijn.’
Op het feit dat de distributievergoeding nu doorlopend is, zegt Van Eldik dat een adviseur ook doorlopend een vinger aan de pols zou moeten houden.
Dit artikel stond in de Fondsnieuws-special van 21 november 2012.