
De run op goedkope indextrackers houdt aan. Hoe gaan aanbieders van aandelenfondsen daarmee om? Juno Investment Partners blijft geloven in actief beleggen. ‘De sleutel uit handen geven, dat past niet bij ons.’
Dat ETF’s in Nederland razend populair zijn, gaat niet aan het Haagse Juno Investment Partners voorbij. ‘De laatste jaren is er overdreven veel aandacht voor het kostenaspect’, aldus oprichter Frans Jurgens, tevens beheerder van het Juno Selection Fund. Ook institutionele beleggers zoals pensioenfondsen zijn vaak gefixeerd op kosten, heeft hij tijdens gesprekken met die partijen gemerkt. ‘Zelfs als ze enthousiast waren over onze performance ná kosten, bleven ze zich blindstaren op de hogere kosten. Die tellen dan dus zwaarder dan de rendementen. Dat is weleens frustrerend.’
Juno, gevestigd in een voornaam pand aan de Lange Voorhout, runt twee actief beheerde fondsen. In portefeuille zitten degelijk gefinancierde, Europese bedrijven met een voorspelbare winstgroei, liefst nog deels in familiehanden. Het in 2008 opgezette Juno Selection Fund (omvang circa 260 miljoen euro) belegt in smallcaps. Om ook kansen te kunnen grijpen in het middelgrote segment is vijf jaar geleden een tweede fonds gestart, het Juno Continuation Fund (circa 46 miljoen euro).
Index verslaan
De index verslaan is het beste bewijs van de meerwaarde van actief beleggen. Maar welke index? Dat zorgt voor hoofdbrekens, aangezien een fonds met slechts vijftien posities lastig te vergelijken is met een brede benchmark. Bovendien schiet door familieparticipatie de free float nogal eens tekort, waardoor juist “Juno-bedrijven” vaak niet in de index kunnen worden opgenomen. Bij gebrek aan beter zijn de MSCI Europe Small Cap Index en Midcap Index daarom de benchmarks.
Het Selection Fund heeft sinds de oprichting aanmerkelijk beter gepresteerd dan de benchmark, maar de laatste twee jaar blijft het fonds achter. ‘Zwaar pet’, aldus Jurgens. ‘Het waren lastige jaren. En in 2022 deden we het weliswaar beter dan de benchmark, maar kwamen we ook op een min uit. Dat betekent drie keer op rij een teleurstelling voor klanten. Nieuwe klanten binnenhalen is dan ook lastiger.’
Glinsterende ogen
Het is belangrijk om transparant te zijn, vindt Jurgens, ook in mindere tijden. Hij ergert zich aan sommige fondsbeheerders die de zaken proberen op te poetsen. Dan trekken zij van het rendement van hun benchmark bijvoorbeeld de kosten van ETF’s af. ‘Een beetje kinderachtig, dat scheelt maar 10 à 15 basispunten. Maar echt storend vind ik het als de eigen performance wordt afgezet tegen een index zónder geherinvesteerd dividend. Dat kan jaarlijks procenten schelen. Dan draai je mensen een rad voor ogen.’
Jurgens en collega Frank de Wit, die ook bij het gesprek aanwezig is, blijven geloven in actief beleggen. Het past bij hen en bij hun klanten, die hun belegging in een Juno-fonds overigens vaak combineren met passieve beleggingen. Jurgens: ‘De sleutel uit handen geven is niks voor ons. Wij willen mede-eigenaar van bedrijven zijn, dat is ook een gevoel.’
Dankzij de beperkte omvang van beide fondsen, elk bevat ongeveer vijftien namen, kunnen de fondsbeheerders het management persoonlijk leren kennen, vult collega De Wit (foto) aan. ‘Voordat we instappen gaan we minimaal één keer bij een bedrijf op bezoek en daarna houden we nauw contact.’
De vijfhonderd à zeshonderd klanten van Juno Investment Partners zijn veelal ondernemers of ex-ondernemers die enkele tonnen inleggen. ‘Zij zoeken kwaliteit’, aldus Jurgens. ‘Bovendien levert een ETF geen spannend verhaal op tijdens de barbecue in de buurt. Onze klanten willen net als wij een beetje eigenaar zijn. Als we tijdens presentaties beginnen over de cashflow en return on capital, zie je dat hun ogen gaan glinsteren.’
Zorgen over ETF’s
Dat Juno zelf onderzoek doet naar smallcaps nu externe analyses nauwelijks beschikbaar zijn na de invoering van Mifid II, ziet Jurgens als een meerwaarde. Juist bij kleinere beursfondsen kan eigen research waarde toevoegen, aldus de collega’s. ‘De potentie die wij zien moet natuurlijk wel terugkomen in de koers. Door minder aandacht van externe analisten en beleggers duurt dat langer dan voorheen, maar het kómt er een keer uit.’
Jurgens maakt zich weleens zorgen over de risico’s van ETF’s, die veel beleggers volgens hem over het hoofd zien. ‘Met een tracker beleg je in bedrijven die al succes hebben gehad, hun gewicht in de index is groot. Haal je bijvoorbeeld de zeven grote techfondsen uit de S&P 500, dan resteert over de afgelopen twee jaar nog maar een paar procent rendement. Bij tegenwind zou het dus weleens de andere kant op kunnen tuimelen.’
Geduldige klanten
De mindere prestatie van de Juno-fondsen de afgelopen twee jaar is jammer, maar klanten lopen niet zomaar weg, merkt Jurgens. ‘Als het minder gaat voelen wij dat, ook emotioneel. Wij weten wie onze klanten zijn, we kennen ze allemaal persoonlijk.’ Inmiddels zijn maatregelen genomen om het rendement weer een zet te geven. Zo zijn enkele in Covid-tijd toegevoegde bedrijven ingeruild voor andere namen, waarvoor Jurgens en De Wit warmer lopen. Zoals de Britse spelfabrikant Games Workshop, het Zwitserse implantatenbedrijf Medacta en de Zweedse farmaceut Camurus. ‘Onze klanten geven het tijd. Ze geloven in onze filosofie en ze hebben gezien dat we het op de langere termijn consistent beter doen.’
Dit is deel 1 van een serie over de veranderende klant- en verdienmodellen in de fondsenindustrie. Hoe gaan Nederlandse spelers om met de druk op actief beleggen en op de kosten van beleggingsfondsen?