De vermogens in Nederland zijn in handen van een relatief kleine groep van rijke burgers. Van de ontwikkelde landen is alleen in de Verenigde Staten de vermogensverdeling schever dan in Nederland.
Tot die conclusie komt econoom en emeritus hoogleraar Geert Reuten in een artikel in het Tijdschrift voor Politieke Economie.
Reuten baseert zich op recente statistieken van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de Oeso, de club van rijke landen. Die heeft voor 27 landen onderzocht hoe het met de vermogensverdeling is gesteld.
Alleen in VS schever
‘Iedereen weet of vermoedt dat de inkomensverdeling in de VS flink scheef is’, zegt Reuten in een telefonische toelichting, ‘Maar dat Nederland daar snel achter komt is minder bekend.’ Reuten heeft een politieke achtergrond: hij was van 2007 tot 2015 lid van de Eerste Kamer voor de SP.
Begin dit jaar voldeden 27 van de 35 Oeso-landen aan de richtlijnen van de organisatie die vergelijking van vermogens mogelijk maakt. Dan blijkt dat in de VS 78 procent van de vermogens in handen is van de 10 procent rijkste mensen, en 38 procent zit bij de welvarendste 1%. Voor Nederland gaat het om respectievelijk 68 procent en 28 procent. Het gaat om gegevens uit 2014.
Grote verschillen tussen landen
Reuten concludeert dat de verschillen tussen landen groot zijn. Zo zijn in België de vermogens veel evenwichtiger gespreid over de bevolking met slechts 42 procent van het vermogen in handen van de 10 procent rijksten, en 12 procent bij de top 1 procent, bij Japan gaat het om 41 procent en 11 procent. Het VK met zijn Angelsaksische vrije marktmodel zit met 52 procent en 20 procent in de middenmoot.
Bij vermogen gaat het volgens de Oeso-definitie om bezittingen waarop voor particulieren een eigendomsrecht van toepassing is. Het gaat dan om vermogens die via erfenissen, al dan niet na een afdracht van successierechten, van generatie op generatie kunnen worden doorgeschoven.
Pensioenvermogens vallen daarbuiten. Vanwege de goed gevulde pensioenpotten zou voor Nederland het beeld van de vermogensverdeling veel gelijkmatiger uitvallen als de pensioenreserves wel worden meegeteld. Reuten vindt de keus om de pensioenvermogen juist niet mee te rekenen heel goed te billijken: ‘Je kunt niet vrijelijk over een pensioenvermogen beschikken en het is niet overdraagbaar.’ De pensioenpot wordt gezien als uitgesteld loon.
Dat lijfrentepolissen niet worden meegerekend vindt Reuten ook terecht: ‘Ik denk dat de omvang van dit fenomeen beperkt is en zodra een lijfrentepolis te gelde wordt gemaakt telt het wel mee voor het vermogen.’
Samenstelling vermogens
Hoogleraar Koen Caminada van de Universiteit Leiden verklaarde vorige week tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer dat de scheefheid van vermogens groter is dan van inkomens. Hij concludeert op basis van eigen onderzoek dat de inkomensverdeling in Nederland vanaf 1990 grosso modo stabiel is.
Reuten heeft, op basis van CBS-cijfers, ook gekeken naar de samenstelling van de vermogens in Nederland. Omdat de Oeso die gegevens niet geeft is een internationale vergelijking niet mogelijk. Dan blijkt dat de 10 procent meest vermogende Nederlanders over 89% van het ondernemersvermogen beschikt. Ook de economische macht is in Nederland is scheef verdeeld, luidt de conclusie van Reuten.
Deze top 10 beschikt over 27% van al het eigen woningbezit, met daartegenover een veel kleinere hypothecaire schuld. Voor alle groepen burgers hangen de negatieve vermogens, de schulden, direct samen met de woninghypotheken. Voor de groep van de minst vermogende Nederlanders speelt heel sterk mee dat hun hypotheken ‘onder water’ staan.
Reuten zegt dat zijn conclusies politieke relevantie hebben: ‘Die vermogensverdeling zegt toch wat over de vraag: waar hef je belasting? De cijfers zijn een indicator van de Nederlandse fiscale aanpak.’