KPMG - Wirtschaftsmotor Mittel- und Osteuropa
KPMG - Wirtschaftsmotor Mittel- und Osteuropa

Oost-Europa groeit al jaren sneller dan het westen. West-Europese bedrijven delen mee in die groei met grote fabrieksinvesteringen. Aan internationale beleggers is de bullmarkt echter volledig voorbijgegaan. Ze zijn vertrokken na de oorlog in Oekraïne en niet meer teruggekeerd. Volgens analisten van Fidelity International en Karoll Capital wordt het tijd om terug te keren.

Jiří Čistecký, de Tsjechische ambassadeur in Berlijn, zit met een brede glimlach op het podium. Geen wonder. Hij heeft net tijdens een KPMG-symposium een uur lang zitten luisteren naar een lofzang op Centraal- en Oost-Europa en dan met name zijn land en de buren in Polen.

‘De CEE-regio biedt voor Duitse bedrijven enorme kansen’, had Michael Harms, voorzitter van de Ost-Ausschuss der Deutschen Wirtschaft, bijvoorbeeld gezegd. De handel tussen Duitsland en 29 landen in Centraal- en Oost-Europa (exclusief Rusland) is vorig jaar met 3,4 procent gestegen tot 550 miljard euro. Ook de investeringen nemen sterk toe. ‘Vooral Polen en Tsjechië zijn populair, maar ook in Oekraïne wordt ondanks de oorlog veel geïnvesteerd.’

Groeiende economie, grote discounts

Uit een uitvraag van KPMG onder 115 bedrijven die in de regio actief zijn, bleek dat een grote meerderheid daarvan van plan is om hun investeringen de komende jaren te willen uitbreiden, soms fors. Beleggers kunnen daar volgens Konstantin Prodanov van de Bulgaarse fondsmanager Karoll Capital ook op verschillende manieren van profiteren. Ten eerste groeit de economie als kool, maar dat wordt door institutionele beleggers nog nauwelijks gewaardeerd. Het gevolg zijn grote discounts en een onderwaardering van Oost-Europese aandelen in portefeuilles tot wel 90 procent.

Fondsmanager Zoltan Palfi van het Fidelity Emerging Europe, Middle East and  Africa fonds onderstreept dat. ‘Na de kredietcrisis van 2008 was er een fase van grotere belangstelling voor de regio, wat de koersen een boost gaf. Maar met de Oekraïne-oorlog en de hoge energieprijzen is dat optimisme weggevallen en hebben veel institutionele beleggers hun aandelen verkocht’, zegt hij. ‘Daar komt bij dat zij Oost-Europese aandelen vaak te klein en illiquide vinden. Daar houden grote beleggers niet van.’

Toch valt er volgens hem veel te zeggen voor een grotere exposure naar Oost-Europa omdat de economische groei naar alle waarschijnlijkheid nog jaren boven het EU-gemiddelde blijft liggen. ‘In de media komt Oost-Europa vaak slecht in het nieuws door politieke conflicten en corruptie. Maar als je het aan West-Europese of Aziatische bedrijven vraagt die daar investeren, dan hoor je een ander geluid’, verwijzend naar zaken als belastingvoordelen, directe lijnen naar beleidsmakers en lage loonkosten, binnen het veilige regelkader van de EU.

Dat Oost-Europa gewoon een grote afzetmarkt is, is volgens Harm de hoofdreden waarom het voor Duitsland zo belangrijk is. Vooral Polen met zijn 36 miljoen inwoners springt eruit met een bbp dat in 2025 voor het eerst boven de 1.000 miljard dollar kwam. Daarmee is het groter dan Zwitserland, en de rek is er nog lang niet uit met een verwachte groei van opnieuw 3,5 procent in 2026.

Polen, Hongarije en Tsjechië

De mentaliteit in CEE-landen wordt ook bejubeld tijdens de bijeenkomst in Frankfurt. Het is er één van handen uit de mouwen en gas geven, in plaats van afremmen en pas op de plaats. ‘Oost-Europa heeft veel van de energie die wij in Duitsland in de jaren zeventig hadden’, zegt Carsten Sattler tijdens de bijeenkomst. Hij is vicepresident van de Würth Group, een van de grotere Duitse industriebedrijven met jaren ervaring in Oost-Europa. Hij ziet de laatste tijd veel berichten over een Duitse de-industrialisatie. ‘Dat is zwaar overdreven, maar feit is wel dat de groei en dynamiek in het oosten zitten.’

Profiteren van die groei middels beleggingen brengt Prodanov en Palfi eerst in Polen. Niet alleen omdat dit het grootste land is, het heeft ook de meest ontwikkelde aandelenmarkt. Bedrijven uit omringende landen kiezen zelfs regelmatig voor een notering in Polen om beter zichtbaar te zijn.

Andere belangrijke markten zijn Hongarije en Tsjechië. Verder investeren de managers van Karoll en Fidelity in een paar Oostenrijkse bedrijven, die een groot deel van de omzet uit Oost-Europa halen. Een voorbeeld bij Fidelity is de Oostenrijkse Erste Bank die ongeveer twee derde van de omzet haalt uit Oost-Europa.

Palfi heeft in zijn fonds van rond 340 miljoen euro de ruimte om ook te kiezen voor aandelen uit het Midden-Oosten en Afrika, de EMEA-regio. Prodanov kiest met zijn fonds van 90 miljoen euro voor een puur Oost-Europese benadering omdat daar meerwaarde zit voor een betrekkelijk kleine assetmanager als Karoll Capital.

Qua sectoren kiezen beide voor een brede spreiding met een oververtegenwoordiging van financials. Banken zijn de optimale manier om te profiteren van economische groei en stijgende reële lonen. Ten eerste hebben banken er baat bij als mensen meer te besteden hebben. Ten tweede profiteren ze mee van de buitenlandse investeringen door bedrijven.

Als voorbeeld noemt Prodanov Mercedes dat afgelopen maart aankondigde dat het een miljard euro extra gaat investeren in zijn fabriek in het Hongaarse Kescemét. Zo’n fabrieksinvestering levert een reeks andere economische activiteiten op, van bouwers tot toeleveranciers. ‘Vaak kleinere bedrijven zonder notering aan de beurs, maar die wel kredieten nodig hebben van lokale banken zoals het Hongaarse OTP.’

Dat niet alles rozengeur en maneschijn is, blijkt overigens ook uit de enquête van KPMG. Veel bedrijven mijden Hongarije zolang Viktor Orbán daar zit, de auto-industrie uitgezonderd. BMW, Mercedes en Volkswagen investeren namelijk miljarden in Hongaarse fabrieken. Roemenië en Servië zakken in de KPMG-peiling eveneens vanwege het politieke klimaat, maar door de bank genomen zijn de vooruitzichten voor de hele regio uitstekend, zowel voor bedrijven als beleggers.

Author(s)
Categories
Access
Members
Article type
Article
FD Article
No