Het totale vermogen van de 300 grootste pensioenfondsen wereldwijd groeide in 2017 met 15,1 procent naar ruim 18.000 miljard dollar. Nederlandse pensioenfondsen wisten hun prominente positie te behouden.
Dat blijkt uit het jongste Willis Towers Watson Thinking Ahead Institute global 300 onderzoek.
In 2016 groeide het vermogen van de grootste fondsen nog slechts met 6,1 procent.
Twee Nederlandse fondsen staan in de top 10, zes Nederlandse fondsen in de top 40. De hoogste Nederlandse notering is Stichting Pensioenfonds ABP op de vijfde plek met bijna 500 miljard dollar onder beheer.
Samen met de andere Nederlandse pensioenfondsen in de lijst, is de Nederlandse pensioensector goed voor 6,7 procent van het vermogen onder beheer van de top 300 pensioenfondsen.
Opkomende markten
Opkomende markten komen de afgelopen jaren steeds prominenter terug in de ranglijst, met het Employees Provident Fund uit India als een nieuwkomer in de top 20. In de laatste 10 jaar zijn in totaal vier nieuwkomers uit opkomende markten de top 20 binnengekomen: drie uit Azië en één uit Afrika.
Jacco Heemskerk (foto), hoofd beleggingen bij Willis Towers Watson: ‘Het toegenomen aantal fondsen afkomstig uit opkomende markten weerspiegelt een trend over de lange termijn, waarbij veel vooruitgang wordt geboekt op het gebied van governance en weerbaarheid. Deze landen zijn vooral interessant om te bestuderen, omdat ze zich meestal in een vroeg stadium van hun ontwikkeling bevinden en investeringsmodellen kunnen blijven aanpassen en doorontwikkelen.’
Hoofdonderzoeker Bob Collie van de Thinking Ahead Group voegt daar aan toe: ‘Dit is een periode van buitengewone verandering voor grote pensioenfondsen, aangedreven door een samenloop van factoren. Het gaat niet alleen om demografische veranderingen, het veranderende wereldwijde economische evenwicht, sociale verwachtingen, politiek, duurzaamheid, regulering of technologie. Het is alles bij elkaar, en het is de manier waarop de veranderingen elkaar aanvullen. Veel van deze organisaties zijn vrij jong en zijn snel gegroeid. Dit zet hun governance en uitvoering in de schijnwerpers.’
DC/DB
Van de 300 grootste fondsen stegen in 2017 de pensioenfondsen met een DC-regeling (Defined Contribution) met 17,6 procent, terwijl de pensioenfondsen met een DB-regeling (Defined Benefit) met slechts 13,5 procent groeiden.
Het vermogen van pensioenfondsen met een DB-regeling was daarmee in 2017 nog steeds goed voor 64,7 procent van het totale vermogen (ten opzichte van 65,5 procent in 2016). Ook in Nederland blijft de DC-trend zich voortzetten waarbij de nieuwe opbouw vaak in een DC-regeling wordt ondergebracht terwijl de oude DB-regeling naar een APF of een groter pensioenfonds wordt gebracht.
‘Hoewel de langere termijnverschuiving van DB naar DC zich blijft voortzetten, valt op dat het DB-vermogen blijft groeien en nog altijd het grootste deel van het totale vermogen uitmaakt. We zien de hybride markt als een interessant onderdeel van het landschap om in de gaten te houden, met de verwachting dat de groei zal blijven voortduren naarmate pensioenfondsen afwijken van de traditionele DB-strategieën’, aldus Heemskerk.
Noord-Amerikaanse fondsen vormen de grootste regio op het gebied van belegd vermogen, goed voor 42,3 procent van alle activa in het onderzoek, gevolgd door Azië-Pacific (27,3 procent) en Europa (26,5 procent). Noord-Amerika vertoont de snelste groei op jaarbasis in de periode 2012-2017 met 6,2 procent, iets meer dan de 6,1 procent van Azië-Pacific en 3,8 procent in Europa.
12 fondsen in top 300
n totaal kwamen de afgelopen vijf jaar 26 nieuwe fondsen de top 300 in, waarvan het grootste netto aantal fondsen uit de Verenigde Staten afkomstig is (9). De Verenigde Staten hebben nog steeds het grootste aantal fondsen binnen de top 300 (133), gevolgd door het Verenigd Koninkrijk (25), Canada (18), Japan en Australië (beide 17).
Nederland heeft met 12 pensioenfondsen ook een aanzienlijk aandeel in de top 300. Dit is wel 1 minder dan in 2012.
Het vermogen van de top 20 fondsen wordt overwegend belegd in aandelen (46,7 procent), gevolgd door vastrentende waarden (36,1 procent) en alternatieven en liquide middelen (17,6 procent). Als we kijken naar de allocaties per regio, hadden de Azië-Pacific-fondsen de grootste allocatie naar vastrentende waarden (52,5 procent) en Noord-Amerika de grootste allocatie naar alternatieven (34,8 procent).
