Emiel van den Heiligenberg, LGIM
i-9Jxr53K-L.jpg

In 1993 maakte hij een serieus plan om mee te doen aan de Olympische Spelen van ‘96. Emiel van den Heiligenberg trainde 14 keer per week, úren per dag. Tot onder andere een hernia roet in het eten gooide. Nog altijd speelt het wedstrijdroeien van toen, een rol in zijn functie als hoofd van het asset allocatie team van LGIM.

‘Mijn ouders dachten dat ik gek geworden was. Ik ging bij ze langs om te vertellen dat ik me de komende drie jaar volledig wilde richten op roeien, in de hoop mee te doen aan de Olympische Spelen in Atlanta in 1996. Ze hadden niks met sport, vonden dat ik mijn leven vergooide. Moest ik niet zo snel mogelijk afstuderen, carrière maken in het bedrijfsleven? Mijn vader kon het me natuurlijk niet verbieden, ik was immers de 18 jaar al ruimschoots gepaseerd, maar het liefst had hij dat wel gedaan. Uiteindelijk heb ik gezegd: “Ik kom hier om het u te vertellen, niet om uw toestemming te vragen.” Dat gesprek zal ik nooit vergeten. 

Nooit uitstaan, je continu aanpassen, volledige focus. Ik zie enorm veel parallellen tussen roeien en beleggen. Het is allebei een results business. Een beleggingsresultaat is duidelijk, voor klanten, senior management, peers. In de sport is dat ook zo: je wint of je wint niet. 

Hard werken is daarbij geen garantie voor resultaat. Je hoort fantastische verhalen van mensen die goud halen op de Spelen en zeggen dat goud de beloning is voor hun harde werken. Maar er zijn honderden mensen die óók heel hard hebben gewerkt, maar het niet gered hebben. Je vorm van de dag, de vraag of je covid hebt of niet, een mishaal net voor de finish. Bij sport komt altijd een deel geluk, onbeïnvloedbaarheid kijken. 

Bij beleggen is er evenmin een direct verband tussen ergens veel effort in steken en een bepaald resultaat halen. Een uitkomst is soms onverklaarbaar. Dat probeer ik mee te geven aan mijn team.’

Roeien

‘Ik was 20 jaar, roeide net een jaar bij roeivereniging Vidar in Tilburg, waar ik aan de universiteit studeerde. Ik was altijd al sportief, maar niet uitzonderlijk. De club organiseerde een ergometertest, waarmee iedereen zijn beste tijd kon meten. Toen ik mijn 2 kilometer op het apparaat had volbracht, zag ik dat mensen me verbaasd aankeken. Ik bleek een tijd geroeid te hebben die helemaal niet paste bij iemand met zo weinig roei-ervaring. Op dat moment realiseerde ik me: als ik hiervoor ga, heb ik een kans.

Hoe langer ik erover nadacht, hoe meer het idee van wedstrijdroeien me aansprak. Ik was altijd al competitief ingesteld. Uiteindelijk begon ik in 1989 met serieus trainen en roeide ik een half jaar later mijn eerste wedstrijd in de lichte acht. Door de tijd ging ik van een boot met acht man, naar een boot met vier man, toen twee man.

In 1993 begonnen mijn roeimaatje en ik te strijden tegen nationale topploegen en ploegen van buitenlandse universiteiten. We hoorden dat bij de Olympische Spelen in Atlanta, licht roeien voor het eerst op het programma zou staan. Onze inschatting was dat er in Nederland twintig roeiers - waaronder wij - een kans maakten op een plek in de boot voor vier personen. We maakten een serieus plan om de volgende drie jaar alles op alles te zetten om daar onderdeel van te zijn. 

We trainden zeker twee keer per dag. Ik begon met een paar uur boottraining voordat ik naar college ging, deed in de middag krachttraining en ging soms in de avond weer terug naar de vereniging om te roeien. Feestjes en andere hobbies waren vaak niet mogelijk; en ik moest mijn gewicht goed in de gaten houden. Het maximale gewicht voor mijn klasse was 72,5 kilo. Een dag voor de wedstrijd was ik vaak nog drie kilo te zwaar. Met trainen, vochtmanagement en flink zweten voor een weging op de wedstrijddag, kon ik me op het goede gewicht inwegen. 

Ik zette alles op alles, maar raakte geblesseerd. Een hernia. Ik moest stoppen met wedstrijdroeien, coachte wel nog mijn roeimaatje tot het nationale kampioenschap in 1994, maar richtte mezelf op mijn afstuderen. In 1997 kreeg ik mijn eerste baan in de financiële industrie bij ING, en in 2000 kwam ik bij Fortis in een beleggingsteam terecht.’

Tevreden zijn

‘Het moeilijkst van zowel sport als beleggen vind ik tevreden zijn. Roeien is fantastisch, als het hard gaat. Om vervolgens te winnen, dat is prachtig. Verenigingen, landgenoten: iedereen komt langs om je te feliciteren. Toch duurt dat fantastische gevoel maar heel kort. Intussen word je steeds kritischer, je legt de lat hoger. Dus eigenlijk zijn er niet veel momenten waarop je super gelukkig bent als sporter. 

Op het moment dat je met beleggen nummer één in je peergroup bent, is er weinig te wensen over, of als je de beleggings-target van een klant halverwege het jaar al hebt gehaald. Toch zijn er altijd dingen die beter kunnen. Ik heb de neiging continu te focussen op dingen die beter kunnen of moeten. Wat ik probeer, maar denk ik niet super goed kan, is om tegen mensen te zeggen: als het goed gaat, moeten we ervan genieten. Even de druk eraf. Ik probeer wel tijd in te bouwen om te genieten met elkaar, samen naar de pub te gaan of met zijn allen uit eten om het met elkaar te vieren. 

Toch vind ik het makkelijker om dat tegen anderen te zeggen dan tegen mezelf. Maar dat heeft denk ik ook te maken met mijn groei-mindset, waar ik mijn succes in sport deels aan te danken heb. Succes wordt gedreven door drie dingen: talent, drive en hard werken. Ik had talent dankzij mijn bouw, waarmee ik nét aan de lichte gewichtsklasse kon deelnemen. En ik was bereid er veel tijd in te steken, uren te maken, feedback te vragen en mezelf dingen te ontzeggen.

Ik refereer in mijn team vaak naar de sport. Veel aspecten zijn vergelijkbaar. Ik wil het beste uit mijn team halen, dat is mijn ambitie. Mijn gouden medaille voor beleggen is bouwen aan een world class beleggingsteam. Dat is nooit af, en daar praat ik veel over. Doorgaans is het niet moeilijk om mensen daarin mee te krijgen. Toen ik acht jaar geleden bij Legal & General Investment Management (LGIM) begon, mocht ik vanuit niets een team opbouwen. Dat helpt, dan kun je gelijkgestemden aannemen. 

Doorgaans zijn mensen in de beleggingsindustrie ook competitief ingesteld. En als je de beste wil zijn, moet je afscheid durven nemen van mensen die niet passen bij de waarden of cultuur van een team. Dat wil niet zeggen dat ze slecht zijn. Denk maar weer aan de roeiers: als je de acht beste roeiers ter wereld samen in een boot plaatst, wil dat niet zeggen dat zij samen ook het hardst gaan. Je moet een groep creëren die dezelfde roei-stijl heeft, misschien zelfs sociaal bij elkaar past. Dat is bij een beleggingsteam precies zo.’

Dit artikel is onderdeel van de Fondsnieuws-zomerserie: sport en beleggen, waarbij oud-topsporters en huidig fanatiek sporters parallellen trekken tussen sport en de beleggingsindustrie. Dit is de eerste aflevering. De komende weken volgen onder meer Tim Soetens van Allianz en Michael Vakalopoulos van Pimco.

Author(s)
Categories
Target Audiences
Access
Limited
Article type
Article
FD Article
No