Het is nog niet zo lang geleden dat Nederland probeerde van Amsterdam een financieel centrum van wereldformaat te maken. Maar inmiddels lijkt het erop dat Nederland deze ambitie heeft laten vallen. Dat is erg jammer, want veel financiële innovaties hebben een Nederlandse oorsprong.
Ook op het gebied van beleggingsfondsen is Nederland een relatief kleine speler aan het worden. De omvang van het in eigen land beheerde vermogen van beleggingsfondsen is beperkt. Veel distributeurs bieden naast Nederlandse fondsen ook een enorm assortiment aan buitenlandse fondsen. Op die manier laat het Nederlandse publiek een steeds groter deel van het vermogen in het buitenland beheren.
Op zich is er met deze trend niets mis. Maar het brengt wel de vraag naar voren hoe het kan dat een land als Nederland ondanks voldoende expertise en een enorm opgebouwd vermogen in pensioenfondsen er niet in slaagt om een dito beleggingsfondsenindustrie te ontwikkelen. Het antwoord op deze vraag ligt deels in de omvang van onze pensioenfondsen. Omdat we zulke omvangrijke pensioenfondsen hebben, is er in verhouding tot de ons omliggende landen een kleinere behoefte om zelf via een beleggingsfonds voor een aanvullend pensioen te sparen.
Een andere verklaring is gelegen in het feit dat banken afstand hebben genomen van vermogensbeheer. Geen enkele van de drie grote Nederlandse banken heeft nog een substantieel assortiment echt eigen beleggingsfondsen. De meeste Nederlandse aanbieders zijn nichespelers of in handen van buitenlandse partijen.
Tot slot is een mogelijke verklaring dat het toezicht in Nederland te streng is. Onze toezichthouders nemen hun werk serieus en voelen de druk van het publiek dat moeilijk onderscheid kan maken tussen enerzijds financieel wanbeheer en anderzijds de pech van een economische crisis. Wanneer een financiële instelling in de problemen komt, wordt tegenwoordig de vraag gesteld of de toezichthouder dit niet had moet weten en kunnen voorkomen. Voor iedere tegenslag is het noodzakelijk dat een schuldige gevonden wordt, en daarbij loopt de toezichthouder altijd het risico als zondebok te eindigen.
Een natuurlijke reactie is dan om het toezicht te verscherpen. Paradoxaal genoeg wordt daarmee tevens de toezichthouder steeds meer primair verantwoordelijk voor het reilen en zeilen van de financiële sector. De toezichthouder verliest uiteindelijk zijn onafhankelijkheid wanneer hij een dominant stempel zet op het beleid van de instellingen die onder toezicht staan.
De toezichthouder zou er verstandig aan doen om iets meer afstand te nemen van de onder toezicht staande instellingen. Met name bij beleggingsfondsen is sprake van relatief eenvoudige instituten die inherent veel minder complex zijn in termen van toezicht in vergelijking met banken of verzekeraars. Ik pleit uitdrukkelijk niet voor het afschaffen van toezicht. Het alternatief is dat we uitsluitend fondsen kunnen kopen die onder toezicht staan van buitenlandse toezichthouders, waarmee de Nederlandse toezichthouder zichzelf de facto buitenspel zet.
Auke Plantinga is universitair hoofddocent aan de faculteit economie en bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen.