Er zijn verschillende signalen die erop wijzen dat er teveel financieel vermogen in de westerse wereld is opgebouwd. We hebben enorme bedragen gespaard, niet in de laatste plaats omdat we erg fanatiek bezig zijn om te sparen voor ons pensioen via pensioenfondsen en/of beleggingsfondsen.
Hoe nobel onze bedoelingen ook zijn, wanneer we deze beslissing nemen laten we ons zelden leiden door de vraag of er ook zinvolle beleggingsmogelijkheden zijn.
Ongeacht de beleggingsvooruitzichten zetten onze pensioenfondsen een vast percentage van ons salaris op de financiële markten weg. De opgebouwde hoeveelheden kapitaal zijn kolossaal. Volgens cijfers van de Nederlandse Bank hadden we eind 2006 ongeveer twee maal zoveel financieel vermogen als ons gezamenlijk bruto binnenlands product. Ik ben maar zo vrij om dat te vertalen dat we als land twee jaar op vakantie kunnen zonder te hoeven werken.
Dit financieel vermogen bestaat volgens dezelfde statistieken uit een post spaargeld, effecten (voornamelijk beleggingen in aandelen en vastrentende waarden al of niet belegd via een beleggingsfonds), en ons vermogen opgebouwd in pensioenfondsen. Anno 2013 hebben we drie maal zoveel financieel vermogen als ons gezamenlijk bruto binnenlands product. Ondanks een serieuze financiële crisis zijn we er in geslaagd om er nog een jaar vakantie bij te sparen. Knap staaltje werk. Toegegeven, een jaar vakantie is goedkoper geworden omdat ons BBP een beetje gedaald is, en de grootste groei komt uiteindelijk van de beleggingsresultaten van de pensioenfondsen.
Maar wat betekent dat nu? Als financieel econoom zou je de verhouding opgebouwd kapitaal ten opzichte van het BBP kunnen opvatten als een soort koers-winstverhouding. Dit verhaal gaat niet helemaal op voor de Nederlandse economie omdat we een open economie hebben waarbij ons kapitaal grotendeels ook in het buitenland is ondergebracht.
Als we al ons vermogen in eigen land hadden belegd, zou een grotere kapitaal/BBP verhouding betekenen dat we een grotere groei verwachten van onze nationale economie. De huidige groeivooruitzichten zouden dan 50 procent optimistischer zijn ten opzichte van 2006. Dat lijkt niet erg te passen bij het optimisme dat er in 2006 was in vergelijkingen met het huidige sentiment dat schommelt tussen pessimistisch, gematigd pessimisme en neutraal.
Als je de Nederlandse economie ziet als een bedrijf, dan is het behoorlijk overgewaardeerd. Er valt wel het één en ander af te dingen op deze redenering, maar de conclusie blijft dat de ongekende opbouw van financieel vermogen onverminderd doorgaat. Gelet op de lage renten zijn er vermoedelijk onvoldoende reële investeringsmogelijkheden om deze groei in goede banen te leiden. In essentie vertelt de kapitaalmarkt ons dat het weinig zinvol is om nog meer te gaan sparen (en beleggen).
Onze financiële bezittingen renderen erg weinig eenvoudigweg omdat er in de reële wereld weinig zinvols mee kan worden gedaan. Het beste is dan om meer uit te geven, dat is uiteindelijk ook weer goed voor de waarde van de aandelen van de bedrijven waarvan we meer producten kopen. En omdat 70 procent van onze financiële bezittingen bestaan uit het vermogen dat we in pensioenfondsen hebben zitten ligt het voor de hand om daar minder voor te sparen.
Dat betekent dus minder pensioenpremie en vermoedelijk ook een lager toekomstig pensioen naar de maatstaven van nu. Het klinkt niet als een aantrekkelijke boodschap om de pensioenen verder te versoberen, maar als we het niet doen dan zou het wel eens kunnen zijn dat de wal het schip keert. Zodra de pensioenfondsen te zijner tijd een netto-uitstroom van vermogen realiseren om pensioenen te betalen zou dat wel eens kunnen leiden tot een behoorlijke inflatie waardoor de pensioenen in reële termen alsnog minder waard worden.