Overheid en toezichthouders worstelen met hun rol in het regisseren van de financiële markten. Men richt zich vooral op de betrouwbaarheid van de financiële sector, de kwaliteit van het advies en de onafhankelijkheid van de adviseur.
Klanten worden geacht stapels documenten te lezen en te tekenen, zoals risico-profielen, dienstverleningsdocumenten, algemene voorwaarden et cetera.
De inspanningen van toezichthouders en wetgevers zouden echter veel beter gericht kunnen worden op het faciliteren van nieuwe producten die beter aansluiten bij de behoeften van de klanten.
Een particulier die zelf voor zijn pensioen spaart buiten een verzekeraar of een pensioenfonds zou gebaat kunnen zijn bij een nieuw type staatsobligatie: de pensioenobligatie.
De pensioenobligatie wordt door de overheid uitgegeven en keert in de eerste jaren na uitgifte geen rente uit, maar start na verloop van een aantal jaren met het uitkeren van een annuïteit.
Stel dat de pensioenobligatie een looptijd van 40 jaar heeft, dat er in eerste 20 jaar geen uitkeringen zijn, maar dat er in de laatste 20 jaar jaarlijks 1.000 euro wordt betaald. Bij een marktrente van 5 procent zou een dergelijke obligatie in de markt ongeveer 5.000 euro kosten.
Deze obligatie zou zeer geschikt zijn voor iemand die op dit moment 45 jaar is en over 20 jaar met pensioen wil gaan. Hij of zij ontvangt dan van zijn 65ste tot zijn 85ste een jaarlijks vaste uitkering.
Wanneer iemand een jaarlijks pensioen van 15.000 euro wil (1.250 per maand), dan moet men dus 15 pensioenobligaties aanschaffen tegen een prijs van 5.000 euro, ofwel euro 75.000 euro in totaal.
Voor de overheid heeft de pensioenobligatie als voordeel dat deze in handen komt van een groep trouwe financiers met een lange termijnhorizon. De lening kan in eerste aanleg aan eigen ingezetenen worden verkocht.
Op deze wijze wordt men minder afhankelijk van de grillen van internationale financiële markten, iets wat de Grieken en Ieren erg zouden waarderen.
De pensioenobligatie maakt het relatief gemakkelijk om uit te rekenen hoeveel het kost om over een aantal jaren een vaste uitkering te ontvangen. Daartegenover staat dat de bezitter van de pensioenobligatie zelf de geldontwaarding in de gaten moet houden.
In tegenstelling tot een pensioenrecht of een lijfrente, die vervallen bij overlijden van de gerechtigde, komt de pensioenobligatie in het bezit van de nabestaanden.
Het belangrijkste voordeel is misschien wel dat men het volledige rendement van het bezit van een staatsobligatie krijgt, zonder dat hiervan eerst de kosten voor het beheer van een pensioenfonds of een verzekeringsmaatschappij moeten worden afgetrokken.
Auke Plantinga is universitair hoofddocent aan de faculteit economie en bedrijfskunde van de Rijksuniversiteit Groningen.