Volgens de meeste technisch analisten is de beurskoers de ultieme scheidsrechter wanneer de discussie gaat over de vraag in welke richting de toekomstige trend zal gaan bewegen.
Over de mogelijke oorzaken kan oeverloos worden gefilosofeerd, uiteindelijk worden de beleggingsresultaten afgerekend door het verschil tussen de aan- en verkoopniveaus (en uiteraard de omvang van de ingenomen positiegrootte). Al het andere wordt beschouwd als excuses om de trend te verklaren.
Trendvolgers beoordelen daarom in eerste instantie de richting van de trend door de theorie in praktijk toe te passen. Dat wil zeggen, een stijgende trend kan worden herkend aan de hand van een proces van opeenvolgende hogere bodems en opeenvolgende hogere toppen. Bij een dalende trend is dit proces het spiegelbeeld.
Het grote probleem is nu dat trendvolgers volgens deze gedragsregels voor trendbepaling pas laat in actie kunnen komen. Niet zelden ‘te laat’: teken maar eens driemaal twee stappen vooruit onderbroken door telkens een stap terug en dan vice versa. Indien wordt gekocht na een uitbraak boven de tweede top of verkoopt na een uitbraak onder de tweede lagere bodem zal hoog kopen en lager verkopen. Voorwaar geen strategie die geld oplevert, maar geld kost.
Hulpmiddellen
Mogelijk is bovenstaande één van de redenen waarom in de loop van de tijd gezocht is naar andere methoden als hulpmiddel voor trendbepaling. Deze hulpmiddelen noemt men technische indicatoren. Onder deze verzamelterm zijn gaandeweg vele exotische van de beurskoers afgeleide constructies en benamingen afgeleid. Denk hierbij aan de moving average convergence divergence (afgekort MACD), waarin het verschil tussen twee exponentieel gemiddelden (parameters 12 en 26 perioden) wordt berekend, waarna van de uitkomst een ander exponentieel gemiddelde (parameter 9 perioden) wordt afgeleid om dienst te doen als signaallijn. Opwaartse en neerwaartse kruisingen worden gebruikt voor koop- of verkoopmomenten.
Een andere indicator is de ‘Price Rate of Change’ (ROC), wat niets anders is als een simpel momentum: de procentuele verandering van de beurskoers ten opzichte van een beursnotering in het verleden levert een performancegrafiek op, waarvan de uitkomst boven of onder nul bedraagt. Kruisingen boven of onder de nullijn worden beschouwd als koop- of verkoopmomenten.
‘Geen toegevoegde waarde’
De editie augustus van het maandblad ‘Effect’ uitgegeven door de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) testte onder andere bovengenoemde technische indicatoren in de AEX en DAX vanaf de eeuwwisseling. De conclusie van de VEB luidde dat de MACD en ROC na een bescheiden test geen waarde toevoegen en de technische analyse eigenlijk meer kunst is dan wetenschap.
Om deze conclusie te bevestigen voegen we daarom een extra kunstje toe door bijvoorbeeld de MACD te combineren met een stijgend 40-weeks simpel gemiddelde. De resultaten verbeteren door deze extra voorwaarde.
Als we nu een nieuwe test zouden doen op basis van een beschikbaar startkapitaal van 100.000 euro en afspreken dat op basis van wekelijkse slotkoersen maximaal 5 procent van het beschikbare kapitaal mag worden belegd in een AEX-aandeel, zodra de MACD een geldig koopsignaal geeft met als aanvullende voorwaarde een stijgend 40 weeks simpel gemiddelde van het onderliggende aandeel. Hieruit volgt een reeks van winstgevende en verliesgevende transacties per individueel AEX-aandeel, waarbij in 19 aandelen (= 76 procent) per saldo winst resteert en in 6 aandelen (24 procent) per saldo verlies.
Technische analyse kan met een beetje creativiteit inderdaad een gunstige ‘average profit/loss’-ratio opleveren.
Edward Loef is een onafhankelijk technisch analist en in de VS geregistreerd als Certified Financial Technician bij de International Federation of Technical Analysts (IFTA).