katja+mali+fotografie+hoge+resolutie.jpg

Met grote interesse las ik recent de column van Auke Plantinga waarin hij kritiek uit op het life-cycle beleggen. Life-cycle beleggen gaat ervan uit dat naarmate men ouder wordt, het percentage aandelen in de portefeuille afgebouwd dient te worden.

Auke beargumenteert de omgekeerde benadering. Beleggers dienen juist meer in aandelen te beleggen naarmate zij ouder worden omdat het vermogen dan relatief groot is. Hogere aandelenrendementen hebben dan het meeste effect.

Ik ben van mening dat de gemiddelde belegger juist een te groot deel van zijn portefeuille in aandelen belegt. Auke’s argument is volstrekt logisch wanneer je de situatie bekijkt vanuit de ‘gemiddelde’ belegger. Echter, elke belegger loopt in de praktijk het risico dat de toekomst hem slecht gezind is en dat aandelen, vlak voordat hij met pensioen gaat, met 50 procent dalen. Weg beleggingsdoelstelling!

De grote fout die veel adviseurs en de regelgever maken, is dat zij beleggers adviseren op basis van de ‘efficient frontier’. Dit onding geeft aan hoeveel een belegger, gegeven zijn risicotolerantie, in aandelen mag beleggen. Risico wordt in dit geval uitgedrukt als standaard deviatie (volatiliteit). Het gevolg is dat veel beleggers te veel in aandelen beleggen.

Volatiliteit is helemaal niet wat beleggers als risico ervaren. Het niet halen van de beleggingsdoelstelling is het risico dat een belegger loopt! Dit risico kan zich enerzijds vertalen in een verlies aan koopkracht en anderzijds in grote verliezen die de mate waarin het vermogen groeit aantasten. Een simpel voorbeeld:

• Een portefeuille van 100 euro die negen jaar lang groeit met 8 procent per jaar en het laatste jaar met 50 procent daalt, is na tien jaar nog steeds maar 100 euro waard.

• Een portefeuille van 100 euro die negen jaar lang met groeit met 3,5 procent en het laatste jaar vlak is, is na tien jaar 136 euro waard.

Beleggers met een te hoog percentage aandelen in de portefeuille, trachten zich overmatig te beschermen tegen een verlies aan koopkracht ten koste van een hogere kans op grote verliezen. Onderstaande grafiek geeft dit schematisch weer.



Tevens speelt het emotionele aspect een grote rol. Een studie van Dalbar toonde aan dat de gemiddelde belegger veel slechter presteert dan de index. Gedurende de periode 1994 tot en met 2013 behaalde de S&P 500 index een jaarlijks rendement van 9,22 procent. De gemiddelde aandelenbelegger kwam er bekaaid af met een jaarlijks rendement van slechts 5,02 procent. Een deel van dit verschil wordt uiteraard verklaard door de kosten van het beleggen. Echter, het grootste probleem bleek de neiging van beleggers om op de bodem te verkopen en pas weer te kopen op het moment dat het herstel al weer geruime tijd was gevorderd. Hoe hoger het percentage dat de portefeuille belegd is in aandelen, hoe groter dit probleem.

Beleggers die een geringer deel van de portefeuille in aandelen beleggen, hebben meer discipline omdat de kans op grote verliezen afneemt. Wanneer dit betekent dat jaarlijks een hoger bedrag opzij moet worden gezet om de beleggingsdoelstelling te behalen, dan is dat maar zo. ‘You can’t eat your cake, and have it too’.

Hans Betlem is chief investment officer bij IBS Capital Management.

 

 

Author(s)
Categories
Access
Limited
Article type
Column
FD Article
No