Onder economisten vindt een methodologisch-statistisch debat plaats over welk land de grootste economie ter wereld is, de Verenigde Staten of China. Het antwoord hangt af van de manier waarop ze meten. Ieder haalt zijn beste argumenten aan om zijn gelijk te bewijzen.
Economen gebruiken twee verschillende maatstaven om de grootte van een economie te meten: koopkrachtpariteit (PPP) en nominale cijfers.
-
De koopkrachtpariteit (PPP of Purchasing Power Parity)
Koopkrachtpariteit zegt dat valutakoersen zich op lange termijn aanpassen, zodat dezelfde goederen in elk land ongeveer evenveel kosten. Een gekend voorbeeld is de Big Mac Index: men vergelijkt de prijs van een hamburger wereldwijd om te zien of een valuta te duur of te goedkoop is. Het betekent dat een munt zoveel waard moet zijn dat je er in elk land ongeveer dezelfde hoeveelheid goederen mee kan kopen.Volgens deze PPP-index is de renminbi vandaag ongeveer 20 à 25 procent ondergewaardeerd tegenover de dollar. Het BBP van China komt op basis van deze methodiek op 35.000 miljard dollar, versus een BBP van 27.000 miljard dollar voor de Verenigde Staten (eind 2024); volgens de PPP-methode is China dus 30 procent groter.
- Met nominale cijfers
Als het Chinese BBP wordt omgerekend naar dollar met de huidige marktkoers, komen we tot een BBP van China van 18.000 miljard dollar versus een BBP van de Verenigde Staten van 27.000 miljard dollar. Daarbij is de Amerikaanse economie dus de helft groter.
De aanhangers van nominale cijfers halen aan dat de internationale handel, kapitaalstromen, defensieaankopen en beurswaarderingen werken op basis van de valutakoersen en geen rekening houden met de Chinese binnenlandse koopkracht (een gemiddelde maaltijd in China kost 4 dollar, versus 16 dollar in de VS).
Verder halen deze economen aan dat de koopkrachtpariteit geen invloed heeft op buitenlandse investeringen. Wanneer men rekening houdt met de allianties met bevriende mogendheden, hebben de VS een enorme voorsprong (ze verwijzen naar de Nato en de Five Eyes (VS, VK, Canada, Australië en Nieuw-Zeeland). Die groep landen beloofde informatie van de inlichtingdiensten uit te wisselen en elkaar te beschermen. Het blijft vandaag een open vraag wat de waarde nog is van deze Five Eyes afspraken.
De tegenstanders van de nominale benadering halen aan dat de inhaalrace puur een valuta-kwestie is. Op dat punt hebben ze gelijk: indien de Chinese munt (renminbi) in de komende tien jaar met 30 procent of meer zou appreciëren, zou China de VS in nominale termen voorbijsteken als de reële groei stabiel blijft. Gezien de huidige onderwaardering van de renminbi, de precaire overheidsfinanciën in de VS en het wispelturige Trump-beleid, is dit geen ondenkbaar scenario.
U kunt de verschillende opinies en argumenten nalezen in Has China overtaken America, A symposium of views, The International Economy, fall 2025.
Facts and figures waar niemand naast kan kijken
Los van dit statistische debat zijn er enkele structurele factoren die de Chinese economie de komende jaren zullen bepalen. China zit met een dalende bevolking, wat de komende decennia op de groei en arbeidspopulatie zal wegen. Men schat dat tegen 2050 de mediaanleeftijd 59 jaar zal zijn, versus 43 in de VS. China zit daarnaast met zijn ontplofte vastgoedbubbel en tot slot is er het structureel gebrek aan koopkracht van de consument: het aandeel van het gezinsinkomen in het BBP bedraagt vandaag slechts 43 procent, wat een uiting is van de historisch lage consumptie.
Ontegensprekelijk is China kampioen in toegepaste technologie. Denk aan de groene energie, batterijen en EV, of de AI-efficiëntie (DeepSeek). China rapporteerde deze week bijvoorbeeld een daling met 0,3 procent van haar totale energie- en industrie-emissies. Op fundamenteel onderzoek mogen we China zeker niet onderschatten: vorige week publiceerde de FT dat China 305.000 dollar per onderzoeker uitgeeft versus 268.000 in Europa, een verschil dat enkel maar zal vergroten. Hun universiteiten stijgen ook jaar na jaar in de internationale rangorde (Big Read: The ascent of China’s universities).
Tot slot citeren we een veelzeggend cijfer over haar binnenlandse ontwikkeling: eind vorig jaar bezat China een high -speed treinnetwerk van 50.000 km (cfr. Europa 8.500 km), wat arbeidsmobiliteit en toerisme zal ondersteunen.
Wat nu voor de belegger?
Ik laat de discussie onder economisten voor wat ze is. Wanneer we naar de BC-index kijken (Business Conditions Index) zagen we een stijging van 49.8 (december) naar 53.7 (januari). Idem dito voor de CKGSB Recrutment Index, die de aanwervingsintenties weergeeft voor de volgende zes maanden.
Het aanzwengelen van de consumptie krijgt daarenboven extra aandacht in het nieuwe vijfjarenplan (via bijvoorbeeld een extra verlofdag en minder toegelaten overuren). Dit alles geeft hoop op een ommekeer van de consumptiemalaise. Ik blijf daarom overwogen op China.
Jan Vergote is onafhankelijk financieel consultant en analist.