Jan Vergote
Jan Vergote

Ondanks geopolitieke spanningen, een tarieven- en Midden-Oosten oorlog, blijken de Amerikaanse economie en aandelenmarkten opmerkelijk veerkrachtig. Wat verklaart die veerkracht? Kan die standhouden?  

Ondanks de vele dreigementen door president Trump met zijn tarievenoorlog, zien we in de praktijk dat de soep verre van zo heet wordt opgediend. Integendeel zelfs. Waar we in oktober vorig jaar in de World Economic Outlook nog lazen over tarieven rond 18 procent, werd dit cijfer reeds in april bijgesteld naar 13 procent. Recent berekende Yale’s Budget Lab zelfs een effectief tarief van amper 11 procent. Verschillende analisten spreken daarom steeds vaker over een politieke blufpoker rond tarieven. Econoom Stephen Roach omschreef het recent als de ‘Taco-bluff’.

Ook de wereldwijde toeleveringsketen blijkt zich sneller aan te passen dan verwacht. De Global Supply Chain Pressure Index, die de druk op de internationale bevoorradingsketens meet, zit vandaag de dag amper boven het gemiddelde druk van de laatste 25 jaar. China speelt daarbij een sleutelrol. Chinese producten blijven via zogenaamde ‘connectorlanden’ hun weg vinden naar andere landen. Recente cijfers laten dit ook zien: het Chinees handelsoverschot steeg recent van 51 miljard dollar in maart naar 82 miljard dollar in april. De Chinese uitvoermachine draait dus op volle toeren, ook richting de Verenigde Staten, een teken dat Amerikaanse gezinnen voorlopig koopkrachtig blijven. De verklaring? Een sterke arbeidsmarkt.

Ook de werkloosheid is met 4,3 procent immers nog steeds laag. Daarnaast kregen Amerikaanse gezinnen een opvallend hoge belastingterugaaf. In april bedroeg de gemiddelde terugbetaling 3462 dollar, 11 procent meer dan vorig jaar. Zo werd reeds 296 miljard dollar uitgekeerd, waardoor meer dan 70 procent van de belastingbetalers een terugbetaling krijgen. Het consumentenvertrouwen houdt dan ook goed stand, al zien we een kleine daling bij de laagste inkomens, die minder dan 50.000 dollar per jaar verdienen.

Minder energieverbruik, meer investeringen

De Amerikaanse economie is vandaag veel minder energie-intensief dan tijdens de oliecrisissen van de jaren zeventig. Waar de primaire energieconsumptie in de jaren zeventig nog 12.000 Btu op het reëel bnp bedroeg, wat betekent dat de economie toen veel meer energie verbruikte om economische groei te realiseren, is dit vandaag met 4.000 Btu 70 procent minder. Ook Amerikaanse gezinnen geven minder uit aan energie. Waar energie tussen 2007 en 2015 nog goed was voor 6 à 7 procent van de consumptie-uitgaven, is dit vandaag amper meer dan 3 procent.

Een andere belangrijke groeimotor zijn bedrijfsinvesteringen, en dan vooral investeringen in datacenters. Volgens de S&P Global waren ze goed voor 80 procent van de particuliere sector in de eerste 6 maanden vorig jaar. In eerdere jaren werden die vooral gefinancierd vanuit de interne cashflows van de bedrijven. Nu die bronnen stilaan opdrogen, werkt men meer en meer met obligatie-uitgiftes ter financiering. Hier zal men vroeg of laat wel het kaf van het koren scheiden, een werk voor de actieve beheerder. Vanuit de macro-economische context kwam er dus weinig tegenwind op de beurs.

Tech blijft de beurs domineren

Op de beurs zijn het vooral technologie-aandelen die voor het mooie weer zorgen. Fenomenale winststijgingen, vooral vanwege al het AI-optimisme, blijven deze aandelen de hoogte induwen. Binnen de MSCI USA-index vertegenwoordigt technologie inmiddels ongeveer 35 procent van de totale marktwaarde.

Maar we weten dat de financiële markten de toekomst verdisconteren. Automatisch komen we dan bij de oorlog in het Midden-Oosten, de verwachte winsten en de renteniveaus. De markt gaat er vandaag vanuit dat de oorlog de economische groei en winstgroei niet structureel zal doorkruisen. Brentolie noteert nog onder 100 dollar per vat en lijkt deze veronderstelling te ondersteunen. De investeringsboom op basis van de Capex Intentions Index blijft stabiel. En op korte termijn zal er fors worden geïnvesteerd in datacentra. 

Toch waarschuwen analisten dat de lat bijzonder hoog ligt. Een groei van 20 procent is momenteel allesbehalve vanzelfsprekend. Tegelijkertijd schommelen de winstmarges van Amerikaanse bedrijven rond de 16 procent, volgens NIPA-data. Dat is historisch hoog en daar zie ik op korte termijn geen verandering in komen. Integendeel zelfs. Als het scenario van een wapenstilstand blijft gelden, mogen we ervan uitgaan dat het positivisme de komende weken op de beurs voortduurt. Het betekent ook dat de inflatieverwachtingen op langere termijn beperkt blijven en de rente op 10 jaar onder 4.5 procent moet kunnen blijven.

We mogen niet uit het oog verliezen dat de semiconductor en semi-equipment industrie vandaag niet minder dan 17 procent van de MSCI US uitmaakt – een jaar terug was dit nog 10 procent. Het gaat dus allemaal zeer snel.

Met 50 procent Amerikaanse aandelen in portefeuille blijf ik onderwogen ten opzichte van de MSCI World, waarin Amerikaanse aandelen ongeveer 72 procent uitmaken. Diversificatie blijft een sleutelwoord. Eind vorig jaar kwam stilaan geld terug richting Europa, de groeilanden en Japan. De overconcentratie van de technologiesector en de hoge winstverwachtingen liggen aan de basis van deze heroriëntering. Europa heelt vandaag zijn wonden, maar het is verre van uitgespeeld. Mijn overweging in Europa, in het bijzonder in de Eurozone, houd ik aan, maar dit is voer voor een volgende aflevering.

Jan Vergote is onafhankelijk financieel consultant en analist.

Author(s)
Categories
Access
Members
Article type
Column
FD Article
No