
De persconferentie van Fed-voorzitter Jay Powell en zijn antwoorden op de vragen van financiële journalisten: ze tonen vooral een beeld van economische onzekerheid.
Uitspraken als “highly uncertain“(4x), “we don’t know” (4x), “very challenging” (x3), “too early” (3x) enz. waren op zijn jongste persconferentie eerder deze maand schering en inslag. De Fed rijdt dus in een economische tarievenmist. We overlopen zijn antwoorden een voor een.
1. Hoe maken jullie het onderscheid tussen de effecten van de handelstarieven en de andere effecten op de inflatie?
Powell gaf toe dat dit een zeer moeilijke oefening is: de beide effecten in de tijd proberen terug te detecteren is absoluut niet evident (“challenging”). De goedereninflatie, die significant steeg in de eerste twee maanden van dit jaar, toont dat duidelijk aan. Hij verwijst verder naar de inflatie in de dienstensector die niets met tarieven te maken heeft, en die wel in de goede richting evolueert. En de kerninflatie, waar ook een tarievenimpact in aanwezig is, blijft stabiel, zei hij. Hij gaf wel toe dat een groot deel van de goedereninflatie effectief afkomstig is van de handelstarieven.
2. Blijft de tarieveninflatie eenmalig of niet?
Powell spreekt over het “looking through” effect. Hij zegt dat het nog te vroeg is om dit te weten. Soms is het aangewezen om te kunnen zien of het een eenmalig effect is (transitoir) of niet. Zeker in het geval van handelstarieven, want dit bepaalt of de Fed actie moet nemen of niet. Het is afhankelijk van de snelheid van de tarievenimpact maar in het bijzonder op de gevolgen ervan op de verankering van de inflatieverwachtingen op lange termijn.
Wat is bijvoorbeeld het gevolg van aankopen die vandaag versneld gebeuren? Sommige prijzen van goederen stijgen, terwijl andere, in dezelfde sfeer, gelijk blijven. Het probleem zit hem in de indirectheid van de prijsimpact, via de intermediaire producten in de supply chain. Dat zijn effecten die echter zeer moeilijk te detecteren zijn.
3. Is het feit dat de monetaire – en inflatieaanpak niet verandert geen bewijs dat de Fed de tarievenimpact als eenmalig en transitoir ziet?
In eerste instantie bevestigt Powell dit en spreekt over een transitoir en een basisscenario. Maar hij zegt er bij dat ze het niet kunnen weten. Het feit dat er weinig veranderde is ook een gevolg van de combinatie van lagere groei en iets hogere inflatie die elkaar compenseren, wat leidt tot een zekere inertie in de beslissingen (“let’s stay where I am”). Hij benadrukt nogmaals dat de onzekerheid zeer groot is, maar dat op basis van de harde data hun monetaire politiek correct is, dat ze moeten wachten op meer duidelijkheid de komende maanden en dat de kost van deze strategie vandaag zeer laag is.
4. Wat met de verankeringen van de inflatieverwachtingen in het kader van de grote onzekerheid uitgedrukt door particulieren, bedrijven, marktgegevens en voorspellers?
Daarop zegt hij dat ze dit van zeer nabij volgen, met alle beschikbare bronnen. Het beeld is in grote lijnen dit: op korte termijn (1 à 1,5 jaar) zien ze inderdaad een lichte verhoging van de inflatieverwachtingen (gekoppeld aan de tarieven op basis van enquêtes) maar wanneer ze deze bekijken op vijf jaar en verder zien ze eerder stabiliteit, tot zelfs een lichte daling. Ook de marktdata bevestigen deze stelling, stelt hij.
5. Wat met de verslechtering van het consumentenvertrouwen? Wat zit er achter de vertraging van deze zachte surveydata en kan het een voorspellend effect hebben op de harde data?
De “hard data” blijven nog steeds solide zegt hij, ondanks het feit van een beperkte vertraging in de consumptie en de groei, maar nog steeds op een solide basis. Kijk naar de jobcreatie en de werkloosheid (4,1 procent, of amper een stijging van 0,1 procentpunt), die blijven goed. De daling van de inflatie kan dit jaar wat vertraagd zijn. Algemeen dus een solide beeld. De “soft data” tonen inderdaad grote onzekerheid en vrees voor neerwaartse risico’s. Wanneer we naar het verleden kijken dan is de relatie tussen soft en hard niet sterk.
6. De aanwervingsgraad ontgoocheld wat, dit ondanks de huidige lage werkloosheid; maakt dit de Fed niet bezorgd?
‘We kennen een hoge arbeidsparticipatie, lonen consistent met een duurzame lage inflatie rond 2 procent, we hebben een normale productiviteitsgroei, een werkloosheid dicht bij het evenwichtsniveau’, zegt de Fed. ‘De aanwervingsgraad is laag, maar tezelfdertijd is de ontslaggraad ook laag. Mochten we een snelle stijging zien van het aantal ontslagen, dan zal dit leiden tot een snelle stijging van de werkloosheid. We zitten in een markt vandaag met weinig aanwervingen maar de markt blijft solide.’
Besluit
De boodschap voor de beleggers is duidelijk. We zitten in een mistige periode waar het qua economische groei alle kanten op kan. Voorzichtigheid is de moeder van de porseleinenwinkel. Dit is blijkbaar ook wat de gemiddelde fondsenbeheerder over de Amerikaanse markt denkt: volgens Bank of America daalde de allocatie in de regio tot 40 procent, vanuit een overwogen positie van 17 procent in februari naar een onderwogen positie van 23 procent in maart. Een verwittigd belegger is er twee waard.
Jan Vergote is onafhankelijk financieel consultant en analist.