De Europese Commissie heeft op 28 november aangekondigd een onderzoek te gaan doen naar de risico’s van de Nederlandse huizenmarkt en de hoge particuliere schulden voor de economie.
Hierbij wordt tevens de link gelegd met de hypotheekrenteaftrek. Een aanverwant thema is het inzakken van de hypotheekverstrekking en de gevolgen daarvan op de huizenmarkt. De kabinetsplannen voor de beperking van de hypotheekrenteaftrek, maar ook de invoering van het extra buffervermogen (Basel III) bij banken spelen hierbij een grote rol.
De Nederlandse banken kampen daarnaast met een zogeheten funding gap: kort gezegd het verschil tussen het door de banken opgehaalde spaargeld en het verstrekte hypothecaire krediet (ongeveer 300 miljard euro).
Banken dekken dit gat door te lenen op de kapitaalmarkt en daar zit de pijn. Onder invloed van de crisis zijn banken steeds minder bereid aan elkaar te lenen en krijgen banken moeilijkheden om dit gat te dekken.
Negatief fiscaal effect
Deze funding gap heeft echter ook nog een negatief fiscaal effect. Daarvoor moet worden gekeken naar de recent ingevoerde bankenbelasting. Deze belasting wordt namelijk geheven over de ongedekte verplichtingen van een bank.
Hiervoor wordt gekeken naar het totaal van de passiva van een bank; daarop mag de bank zijn garantievermogen (Basel III kapitaal), deposito’s die onder het depositie garantiestelsel vallen (100.000 euro per depositohouder) en een doelmatigheidsvrijstelling in mindering brengen.
Over het resterende deel van de passiva wordt dan de bankenbelasting geheven. Door het funding gap zijn banken dus meer bankenbelasting verschuldigd dan wanneer banken wel voldoende spaargeld ophalen.
Dit zet de (hypothecaire) kredietverlening van banken verder onder druk. Het beroep op pensioenfondsen om te beleggen in hypothecaire geldleningen om zo te voorzien in financiering voor de banken, biedt echter voor de bankenbelasting geen soelaas.
Securitisatie
Ook het doorverkopen van een pakket hypothecaire geldleningen (bijvoorbeeld in het kader van een securitisatie) biedt niet noodzakelijkerwijs een oplossing. In een dergelijke structuur worden leningen verkocht aan een special purpose vehikel (SPV), dat ter financiering hiervan geld uit de markt aantrekt (zonder garantie van de bank).
Indien deze SPV moet worden meegeconsolideerd bij de bank, dan worden de door de SPV uitgegeven schulden in aanmerking genomen bij de berekening van de bankenbelasting bij de bank. Wordt de SPV niet meegeconsolideerd, dan valt de SPV niet onder de bankenbelasting.
Het is onduidelijk hoe dit verschil valt te rijmen met de doelstelling van de bankenbelasting om een bijdrage te leveren aan de risicobeheersing in de bancaire sector.
Bovendien worden de schulden die door een dergelijke SPV worden uitgegeven nu juist vaak weer door andere banken en door (pensioen)verzekeraars gekocht, als gevolg waarvan de risico’s juist weer in de financiële sector terechtkomen: “that’s the economy, stupid”!
Jeroen Smits is advocaat-belastingkundige bij Stibbe en lid van Stibbe’s Investment Management Groep.