Ligt het aan mij of is het aantal Postcodeloterij-fietsen explosief gestegen? Mijn dochter is aan een nieuwe fiets toe, en laat dat nou juist de fiets zijn die ze wil hebben.
Als ik uitleg dat deze fietsen een ‘troostprijs’ zijn voor een loterij, dan krijg ik enkel naar mijn hoofd geslingerd dat ik ook maar mee moet spelen.
Ook in de supermarkt verschijnen in mijn boodschappenwagen elke keer weer van die zakken chips, pakken yoghurt, of knäckebröd allemaal met prijsvraag of loterij. En als zo’n zakje chips geen Middellandse Zee-cruise voor een familie van vijf bevat, moet ik praten als Brugman om ze niet alles te laten opentrekken.
Daar komen dan nog bij die eindeloze reeks aan e-mails en websites die mijn ontvankelijke kroost weet te enthousiasmeren (‘u bent een winnaar!’). Iedere keer weer zijn ze overtuigd dat deze keer de hoofdprijs wel op weg is naar huize Wilbrink.
Ook vragen mijn kinderen waarom ik geen krasloten koop, of staatsloten. Met droge, onbegrijpelijke wiskunde leg ik dan uit dat je gauw 625 jaar moet mee spelen om kans te maken op een statistisch zekere kans voor 1000 euro of meer.
Gisteren had ik weer dezelfde discussie met mijn dochter, maar deze keer kreeg ik geen gelijk. ‘Maar iedereen koopt staatsloten. Waarom denk jij dat je slimmer bent dan iedereen?’ ‘Als dat waar is, dan koopt toch niemand een lot?’
Uitleg over wishful thinking, de psychologie van loterij, hormonen, dopamine-effecten in onze hersenen, werden allemaal terzijde geschoven. ‘Mensen zijn niet dom’, zei mijn dochter, ‘als de kans om te winnen echt zo laag is, dan doet niemand het.’
De psychologie die de populariteit van loterijen en prijsvragen verklaart, is echter ook verantwoordelijk voor veel van het denken in de obligatie en aandelenmarkten. Ruim zeven jaar na de kredietcrisis, een fragiel economisch herstel en een opkoopprogramma van de centrale banken, staan obligaties nog steeds historisch hoog.
En de psychologie van markten dicteert nog steeds ‘what goes up, must come down’. Zo staan de vaktijdschriften weer vol met pensioenfondsbestuurders die vinden dat ze hun renteafdekking moeten terugbrengen, omdat rentes weer omhoog zullen gaan.
Maar feit blijft dat de markt een rentestijging al lang inprijst. De rentecurve van Europese staatsobligaties is in ‘contango’ zoals dat heet; opwaarts lopend. Dit betekent dat de markt al lang verwacht dat kortlopende obligaties in de toekomst een hogere rente zullen hebben.
Een pensioenfonds dat nu de renteafdekking afbouwt, zal daar enkel aan verdienen als de rente met meer stijgt dan er momenteel door de rentetermijnstructuur, of rentecurve, wordt voorspeld. Dus niet als de rente stijgt, maar enkel als deze met meer stijgt dan de collectieve kapitaalmarkt op dit moment verwacht. Natuurlijk kun je als pensioenfonds besluiten om de renteafdekking terug te brengen. Daar kunnen meerdere redenen voor zijn. Maar als je enige beweegreden stijgende rente is, dan zeg je dat je het beter weet dan de markt. Mocht dat lot niet uitbetalen, zorg dat je op de fiets dan ook de eindstreep nog haalt.
Jeroen Wilbrink werkt bij NN Investment Partners op de afdeling Integrated Clients Solutions.