Elke econoom kent hem, de verkeersvergelijking van Fisher: M maal V is P maal T. In deze vergelijking staat M (Money) voor de totale geldhoeveelheid die in omloop is in een economie.
V (Velocity) staat voor de omloopsnelheid van het geld, ofwel hoe snel het geld van hand tot hand gaat. Beide factoren drijven de economische groei (P maal T).
P (Price) staat voor het gemiddelde prijsniveau van alle goederen en diensten in de economie en T (Trade volume) voor het handelsvolume, ofwel het aantal transacties.
Verklaring voor jongste crisis
Fisher gaat ervan uit dat twee factoren in deze vergelijking binnen een bepaalde periode constant blijven: dat zijn V en T. Voor een belegger is het concept veel sterker en bruikbaarder als je de V en de T niet constant houdt.
De financiële ontwikkelingen van de afgelopen tijd zijn dan beter te verklaren. Denk maar eens terug aan wat er gebeurde met MV = PT in de aanloop naar de kredietcrisis en tijdens de recessie.
Omloopsnelheid
In de jaren 2004 tot 2007 werd de rente steeds verhoogd waardoor de M gematigd groeide. Maar toch was er sprake van een forse economische groei. Dat werd mogelijk gemaakt door een toename van de omloopsnelheid van het geld.
De financiële innovatie in deze tijd leidde tot een schrikbarende stijging van de omloopsnelheid van het geld. Een hypotheek werd afgesloten, doorverkocht, opnieuw doorverkocht, verpakt en weer doorverkocht. Dat creëert een enorme omloopsnelheid.
In 2008 komt daar abrupt een einde aan: Bear Stearns wordt gered, Lehman gaat ten onder. De omloopsnelheid van het geld en haar synoniem, het vertrouwen, komt knarsend tot stilstand.
Monetaire stimulans
Geld is het veiligst op een bank die er weinig mee doet. Er wordt niet meer geleend. De economie komt in een luchtzak. De monetaire autoriteiten grijpen in en er volgt een ongekende monetaire stimulans. De economie reageert aanvankelijke nauwelijks.
Immers, de stimulans wordt aanvankelijk door banken gebruikt om er hun liquiditeiten mee te spekken. Het geld blijft bewaard in de spreekwoordelijke oude sok van de bank. De V blijft laag.
Pas na maart 2009 neemt het vertrouwen weer toe, de renteopslag op bedrijfsobligaties daalt weer, de omzetten op aandelenbeurzen stijgen en er kan weer geleend worden.
Muur van geld
De aandelenbeurzen worden nu opgestuwd door een muur van geld die op drift is. Immers, het alternatief is mager: een deposito van 1,5 procent? Dit is de fase waar we nu inzetten. Het vertrouwen is weer terug. En dat moet ertoe leiden dat de reële economie herstelt.
Voor de belegger zijn er twee gevaren. De eerste is dat de economie blijft hangen, de groei niet doorzet, het vertrouwen daardoor verdwijnt en de omloopsnelheid van het geld weer daalt.
De tweede is dat de economie wel herstelt en de monetaire autoriteiten de geldkraan dichtdraaien. In dat geval bestaat het gevaar dat de geldhoeveelheid wordt geremd en de omloopsnelheid afneemt. De economie komt dan in de gevreesde ‘double dip’.
Mark Glazener is fondsmanager van het Robeco fonds.