ING, Unilever of toch TomTom: welk aandeel gaat het de komende tijd goed doen? Om deze keuze te maken hebben banken analisten in dienst die de bedrijven op de voet volgen en met de besturen praten.
Zij schrijven hierover rapporten en doen koopaanbevelingen. De beheerders van beleggingsfondsen gebruiken deze analyses bij hun selectie.
Maar wordt met het actief selecteren van aandelen, het zogenaamde stockpicking, ook outperformance behaald. Ofwel: wordt de benchmark verslagen?
Toegevoegde waarde
Naar deze vraag is veel onderzoek gedaan. De resultaten van beleggingsfondsen zijn vergeleken met het gemiddelde van het universum waarop het fonds zich richt, de benchmark. De algemene conclusie is dat stockpicking in het algemeen geen toegevoegde waarde heeft.
De reden is een eenvoudige. Gemiddeld genomen presteren alle stockpickers conform de markt. Echter voor die selectie maken stockpickers kosten.
Een gemiddeld aandelenfonds rekent ongeveer 1,5 procent aan managementfee en kosten voor transacties. Omdat een benchmark geen kosten heeft, zal dit resulteren in een gemiddelde underperformance die gelijk is aan de kosten.
Value-beleggen
Toch zijn er fondsbeheerders die stellen dat hun fondsen wel outperformance halen. En Warren Buffett lukt het toch ook?
Los van het feit dat veel beleggers Buffett volgen en hij hierdoor bijna altijd gelijk krijgt, hanteert hij een specifieke beleggingsstijl: value-beleggen. Net als bijvoorbeeld beleggen in small caps kan deze stijl over een langere periode resulteren in outperformance.
Om te kijken of het goede stockpickers zijn, zetten wetenschappers de resultaten van stijlbeleggers af tegen een benchmark van de desbetreffende beleggingsstijl en niet ten opzichte van de algemene benchmark. Dan blijkt het ook voor deze fondsbeheerders moeilijk om outperformance te genereren.
Passief beleggen
Een alternatief voor stockpicking is passief beleggen. Sinds de opkomst van de computer en hierop gebaseerde handelssystemen, is het mogelijk geworden om met één druk op de knop een grote groep aandelen te kopen of te verkopen.
Een tracker is een voorbeeld waarbij de hele index wordt gekocht. Het belangrijkste voordeel hiervan is dat de kosten veel lager liggen. Voor een tracker op de MSCI World liggen deze rond de 0,45 procent. Simpel gezegd zal een tracker het dus circa 1 procent beter doen dan het gemiddelde wereldwijde beleggingsfonds.
Dus heeft stockpicking geen toegevoegde waarde? Dat is te kort door de bocht. Sommige fondsen op minder efficiënte markten zoals high yield obligaties of een specifiek opkomend land lukt het wel om met specifieke marktkennis outperformance te genereren.
Van belang is in ieder geval dat een fondsbeheerder een duidelijke visie en stijl heeft en van de benchmark durft af te wijken. Een fonds dat beperkt afwijkt, kan nooit zijn kosten goedmaken en dan is een tracker zeker te prefereren.
Rogier Rake is partner van de IBS Vermogensbeheer.