De ene expert roept: nooit afdekken, het kost alleen maar geld! De andere zeg: altijd afdekken, jij leeft in euro’s – dus je rendement in euro’s telt. Wie heeft er gelijk?
Veel mensen hebben de voorbije jaren een groot deel van de portefeuille belegd in de Verenigde Staten en zijn daarmee blootgesteld aan de dollar en lopen dus een wisselkoersrisico. Moet je dat valutarisico nou wél of niet afdekken?
Wisselkoersrisico afdekken kan op verschillende manieren. Ofwel gebruik je euro-gehedged klassen van fondsen of ETF’s die niet als basismunt de euro hebben, zelfs als je een ETF in euro koopt op de beurs. Ofwel, je gebruikt valutatermijncontracten of afgeleide producten. De essentie is hetzelfde: je ruilt onvoorspelbare wisselkoersschommelingen in voor iets meer voorspelbaarheid, rust en controle – uiteraard tegen een prijs.
Wanneer heeft het écht toegevoegde waarde?
1. Als je klant in euro leeft en zijn doelen in euro’s zijn
Verdient je klant in euro’s, geeft hij of zij in euro’s uit, bouwt je klant pensioen in euro’s op? Dan doet één ding er écht toe: wat blijft er in euro’s over? In dat geval is ongedekt valutarisico een extra ruisbron. Soms positief, soms negatief, maar altijd onvoorspelbaar. Afdekken kan dan zorgen voor minder schommelingen in euro’s, een betere match tussen de portefeuille en de levensdoelen en minder afhankelijkheid van toevallige valutabewegingen vlak vóór een cruciaal moment.
2. Als je kort tot middellang belegt
Hoe korter de horizon van een klant, hoe minder tijd voor het herstel van tegenvallers.
Een forse daling van de dollar nét voordat het geld geld nodig is, kan dan veel pijn doen.
3. Als het risicoprofiel eerder neutraal of defensief is
Is iemand van nature voorzichtig? Wil diegene geen grote tussenliggende dalingen?
Extra volatiliteit door valuta is een risico waar je niet voor beloond wordt. Je krijgt geen structureel hoger verwacht rendement door het nemen van valutarisico, maar wél extra pieken en dalen in het euro-resultaat. Hedging kan dan een logische stap zijn om het risico terug te brengen naar een niveau waar een klant goed bij slaapt.
Wanneer is hedgen een illusie of overkill?
Hedging klinkt rationeel. Maar in de praktijk kan het ook doorschieten. Dan wordt het minder ‘risicobeheer’ en meer ‘kostenmachine’.
1. Hedgen is nooit gratis
Elke afdekking kost geld en dus rendement. Soms zichtbaar, soms verborgen.
Je betaalt een expliciete premie of spread (bij termijncontracten), een hogere lopende kostenratio (bij gehedgde fondsen/ETF’s) en operationele kosten of fricties bij het continu doorrollen van hedges. Op jaarbasis lijkt dat misschien klein – een paar tienden van een procent – maar over tien, twintig of dertig jaar kan dat serieuze impact op het eindkapitaal van de klant hebben. Het grotere renteverschil tussen de VS en de Eurozone, maakt bovendien dat de afdekkingskost – naast de vorige operationele kosten – nu meer dan 2 procent bedraagt. Dit wil zeggen dat het rendementsverschil tussen bijv. een dollar ETF en dezelfde in euro hedged reeds meer dan 2 procent is.
2. Je kunt nuttige diversificatie kwijtraken
Valuta is niet alleen risico. Het kan ook bescherming bieden. In tijden van stress zie je vaak dat kapitaal stroomt naar veilige havens zoals de dollar of Zwitserse frank. Deze valuta kunnen stijgen als aandelenmarkten dalen. Bij internationale beleggingen kan een stijgende dollar een deel van je aandelenverlies compenseren. Zet je alles dicht met hedges, dan gooi je dat mechanisme deels weg. Je maakt portefeuille in euro’s soms minder veerkrachtig in crisistijden.
3. De lange termijn is minder gevoelig voor valutaschommelingen
Op korte termijn kunnen wisselkoersen hard bewegen, maar op lange termijn vlakken veel van die bewegingen deels uit. Je koopt en herbelegt continu. Winsten, verliezen en mutaties vinden plaats tegen uiteenlopende koersen.
Op lange termijn, zeker bij aandelen, is de impact van valutarisico op het eindresultaat vaak minder dramatisch dan beleggers vrezen. Als je dan zwaar gaat afdekken, loop je het risico dat je jarenlang kosten maakt om een risico te managen dat op lange termijn relatief bescheiden blijkt te zijn.
Wanneer is hedging pure onzin?
Niet omdat het theoretisch onjuist is, maar omdat het in de praktijk niet past bij iemands situatie.
Heeft een klant een relatief bescheiden beleggingsportefeuille, belegd voor twintig tot dertig jaar, als aanvulling op zijn of haar pensioen? Dan wegen extra complexiteit en kosten van hedging vaak niet op tegen de winst. In dat geval kun je als vermogensbeheerder beter focussen op lage kosten, brede spreiding, discipline en risicoprofiel… dan op valutastructuren.
Je speculeert met afdekkingen op de richting van valuta: ‘Ik hedge nu alles, want de dollar gaat zakken.’ Dan ben je niet aan het hedgen; dan ben je aan het gokken. Hedging is bedoeld om risico’s te neutraliseren, niet om aan markttiming te doen. Zodra je afdekt om je mening over valuta uit te drukken, wordt hedging een verkapte speculatie. En dat is zelden duurzaam winstgevend.
De waarheid ligt – zoals zo vaak – niet in de uitersten, maar bewust gedeeltelijk hedgen op basis van je doelen en horizon.
Portefeuilleconstructie
Obligaties en complexere alternatieve strategieën worden vaker (grotendeels) gehedged, omdat het risico van vaultabewegingen te groot is in verhouding tot het eerder beperkte rendement. Mijn advies is vooral om een doordachte strategie te hebben, de grootste fout is om helemaal geen bewuste keuze te maken en bijvoorbeeld 40–60 procent van je portefeuille in niet-eurovaluta te hebben, zonder dat je het beseft. Dan hangt je toekomst in euro’s af van toevallige wisselkoersen op cruciale momenten.
Stephan Desplancke is oprichter van Toward Wealth Management, heeft vijftien jaar bij Blackrock gewerkt en is columnist van Investment Officer.