De economische wetenschap bevindt zich in een existentiële crisis. Dat is de centrale stelling van het boek Money, Blood and Revolution van Dr. George Cooper.
In het Engels klinkt het als zo vaak uitgesprokener: ‘Economics is a broken science, living in a kind of Alice in Wonderland state believing in multiple, inconsistent things at the same time.’ Als actieve belegger ben ik het volmondig eens met deze stelling, schrijft Joost de Graaf (foto) van Kempen Capital Management in een boekbespreking voor Fondsnieuws.
Volgens Cooper is deze crisis echter niet totaal chaotisch en onbegrijpelijk. Verschillende andere grote wetenschappen hebben namelijk eenzelfde crisis doorgemaakt. Door het werk van wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn zijn deze crises goed gedocumenteerd en begrepen.
In het grootste deel van het boek probeert de auteur de stelling te onderbouwen dat de economische wetenschap zich in een crisis bevindt; hij identificeert negen (!) verschillende economische hoofdstromen. Vervolgens wordt op basis van het werk van Thomas Kuhn en de lessen die getrokken kunnen worden uit andere wetenschapscrises gezocht naar wegen waarop de economische wetenschap zich aan de crisis kan ontworstelen.
Winstmaximalisatie of onderlinge concurrentie?
Volgens Cooper is de belangrijkste paradigmaverschuiving dat mensen niet altijd gericht zijn op winstmaximalisatie. Op basis van het darwinisme is het veel aannemelijker dat mensen met elkaar concurreren om middelen.
Zodra we het gevoel hebben er (iets) beter voor te staan dan onze gelijken vinden we het meestal wel best. We gaan vervolgens niet door tot het gaatje.
Door deze paradigmawisseling klopt ook de aanname niet dat mensen onafhankelijk van elkaar opereren. Concurrentie is relatief, wat de ander doet heeft impact op wat je zelf doet. Lemmingengedrag en bubbels zijn het natuurlijke gevolg. De menselijke natuur is gericht op concurrentie met elkaar.
Democratie als basis
Vervolgens stelt Cooper zichzelf de grote vraag waarom de wereldwijde economische groei opeens begon te accelereren in het midden van de 17de eeuw. Het ontstaan van democratie in Engeland, de Verenigde Staten en Frankrijk is hiervoor de meest waarschijnlijke oorzaak. En democratie bracht voor het eerst een circulaire bestuursstructuur met zich mee.
De overheid werd gecontroleerd door de mensen die het land bestuurden. Dit brengt Cooper tot zijn circulaire theorie van economische groei: het darwinistische competitieve economische systeem gekoppeld aan het democratische politieke systeem.
Voordat democratie werd ingevoerd, was de sociale piramide zeer stabiel en zeer ongelijk. De top hoefde niet echt te concurreren om op zijn plek te blijven. De sociale mobiliteit was zeer laag. De onderlaag betaalde zowel belasting als huur aan de top die het kapitaal bezat en ook nog eens het meest voordeel had van de economische activiteit door het bezit van de productiemiddelen.
Democratie bracht een veel rechtvaardiger belastingstelsel waardoor de top van de piramide ineens wel moest concurreren met elkaar om niet achteruit te gaan. In plaats van eenrichtingsverkeer van beneden naar boven werd de economie circulair.
De belastingheffing vond grotendeels plaats aan de top en dit werd in de basis gepompt onder andere om in beter onderwijs te kunnen voorzien. Dit had grote gevolgen voor het innovatievermogen van de samenleving; ondernemerschap werd ineens goed beloond, creativiteit idem dito.
De sociale mobiliteit nam sterk toe. Dit stimuleerde de economische groei gigantisch, een ontwikkeling waarvan de top van de piramide ook duidelijk profiteerde.
Implicaties
Volgens Cooper werkt het circulaire model niet als de belastingdruk te hoog is (waarom dan nog concurreren?) of te laag (sociale mobiliteit neemt automatisch af; sociale ongelijkheid neemt toe).
Hier valt ons zomaar een model in de schoot dat Piketty’s bewering over de enorme toename van sociale ongelijkheid de laatste decennia in een breder perspectief kan plaatsen.
Ook helpt de theorie van Cooper om de voors en tegens van de maatregelen om de economische crisis te bestrijden beter te begrijpen. Ten slotte geeft Cooper op basis van zijn theorie aanbevelingen om de economische groei weer aan te wakkeren.
Naar mijn mening drukt Cooper met dit boek de economische wetenschap weer de juiste richting in. Hierdoor is dit boek veel belangrir dan Piketty’s recente boek Capital in the Twenty-First Century.
Toch krijgt het boek van Cooper aanzienlijk minder aandacht. Een vrij klassiek patroon, de gevestigde orde heeft geen belang bij het verlaten van de stellingen. Hopelijk krijgt het boek in de komende jaren wel de aandacht die het verdient. Lezen dus!
Joost de Graaf is senior portfolio manager van het hoogdividendaandelenteam van Kempen Capital Management.
De Graaf schrijft op persoonlijke titel recensies over een voor professionele beleggers relevant boek.