Home bias is een wereldwijd fenomeen. Maar Midkap-fondsen zijn inmiddels de oostgrens over. Wat maakt de Duitse Mittelstand zo aantrekkelijk?
Het is een bekend gegeven: Nederlandse beleggers hebben een sterke ‘home bias’. Volgens ING belegt maar liefst 62 procent van alle beleggers hoofdzakelijk in eigen land. Volgens de optimale portefeuilletheorie wordt daardoor aanzienlijk diversificatievoordeel misgelopen. Er is met andere woorden sprake van onvoldoende spreiding.
Een belangrijke verklaring is dat beleggers zich meer bekend voelen met binnenlandse bedrijven dan buitenlandse. Iedereen kent Philips, maar wie heeft weleens gehoord van concurrent Matsushita Electric?
Volgens Vanguard-oprichter John Bogle is een home bias helemaal niet erg. Vanuit Amerikaans perspectief is dat wel te begrijpen. Daar is een zeer ruim aanbod aan grote, internationaal opererende bedrijven. Maar vanuit Nederlands perspectief, zeker voor wie in het segment van smallcaps en midkappers belegt, gaat dit niet op, zou je zeggen.
Bij Teslin uit Maarsbergen vragen ze er al jaren aandacht voor: het sterk verschraalde aanbod van kleine, in Nederland genoteerde bedrijven. Er is nog maar een kleine vijver waaruit gevist kan worden, wat de fondsboutique voor een uitdaging stelt. De lancering van het Midlinfonds in 2006 was wat dat betreft in meerdere opzichten opzienbarend. Dit Teslin-fonds belegt behalve in smallcaps ook in midkappers en heeft een open-end fondsstructuur waardoor participanten wekelijks kunnen in- of uitstappen.
Maar belangrijker nog is dat dit het eerste fonds was waarvan de beheerder zijn jachtterrein mocht uitbreiden over de eigen landsgrenzen. Mede vanwege de gunstige macro-economische omgeving werd heel bewust naar bedrijven met een notering aan de Duitse beurs gekeken, ondanks de bedenkelijke reputatie van sommige bedrijven.
Export georiënteerd
De Duitse aandelenmarkt biedt een ‘waardevolle verrijking’ van de beleggingsmogelijkheden, bijvoorbeeld in duurzame onderneming, zegt mededirecteur Hein van Beuningen. Ook is het aanbod ruim. ‘Het gaat hier om zo’n 350 bedrijven in het small- en microcapsegment. Dit zijn kleine beursfondsen die niet in de bekende indices zijn opgenomen en onder de radar van veel beleggers en analisten blijven.’
Wat Duitse bedrijven zo interessant maakt? Dat is volgens de neef van oprichter Frederik van Beuningen nog altijd ten dele te verklaren door de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog. ‘Aan de Amerikaanse Marshallhulp was een belangrijke voorwaarde verbonden, namelijk dat het land vanaf dag één zijn markt moest openstellen voor concurrenten uit het buitenland. Veel Duitse bedrijven zijn daardoor op zeer concurrerende leest geschoeid en dat zie je nu nog steeds terug. Ze hebben vaak een stevige marktpositie en zijn sterk exportgeoriënteerd.’
De beleggingsmogelijkheden in Duitsland vindt het fondshuis dermate interessant dat het recent een nieuw fonds aan zijn assortiment heeft toegevoegd dat uitsluitend in ‘Germany’ belegt: Gerlin. Omdat het belangrijk is de taal en bedrijfscultuur tot in de finesses te begrijpen, is de afgelopen jaren extra geïnvesteerd in mensen met ervaring in het land, vertelt Van Beuningen. ‘In de raad van commissarissen zitten om die reden een aantal “verduitste Nederlanders” en Duitse investeerders.’
Een betere spreiding verkrijgen was en is echter veel minder een argument om in het buurland te beleggen. ‘Wij stoppen al onze energie in een zeer beperkt aantal bedrijven. Dat is een strategische keuze. Wel kijken we uiteraard of we niet te veel blootstelling naar één sector krijgen. In Duitsland is de automotive-sector bijvoorbeeld erg groot waardoor je al snel een stuk cyclisiteit binnenhaalt.’
Ook fondsbeheerder Frans Jurgens van Juno Investment Partners sluit zich wat spreiding betreft bij de Teslin-voorman aan. ‘Risico is in onze visie iets wat je niet ziet aankomen. Wij willen daarom zo veel mogelijk weten van de bedrijven waarin we beleggen.’
Misplaatste vooroordelen
Het Juno Selection Fund heeft momenteel twaalf Europese smallcaps en midkappers in portefeuille, beursgenoteerde familiebedrijven met een voorspelbare winstgroei. Dat Europees breed wordt belegd, is vooral het gevolg van de strenge eisen die het beleggingsteam stelt, en het segment van de markt waarin het actief is. ‘Voordat we in 2008 van start gingen, wisten we al dat we onze horizon moesten verbreden. Buiten Nederland treffen we eenvoudigweg meer aantrekkelijke investeringsmogelijkheden aan.’
Vooral Duitsland en Scandinavië vindt hij interessant. ‘In cultureel opzicht spreken we dezelfde taal. Er wordt eerlijk en duidelijk gecommuniceerd. Daal je meer naar het zuiden af, dan worden de zaken soms verbloemd.’ De allocatie naar Duitsland bedraagt 32 procent. In buurland Engeland blinken ze in hun jaarverslagen uit in ‘exceptionals’ en ‘extraordinaries’. ‘30 procent winstgroei rapporteren terwijl het bedrijf feitelijk een verlies heeft geleden, dat soort grappen.’
Ook blijkt de realiteit soms heel anders dan een jaarverslag doet vermoeden. Jurgens zegt dat Juno om die reden altijd ter plekke gaat kijken en in contact blijft met het management. In Engeland hanteren zij om deze reden een hogere ondergrens voor de minimale beurswaarde dan elders in Europa.
De kritiek op Duitse bedrijven, onder anderen van oud-topbestuurder Thomas Sattelberger weerleggen beide beleggingsspecialisten. ‘Dit lijkt betrekking te hebben op largecaps waarin wij niet beleggen. Wij zijn bijvoorbeeld wél heel enthousiast over het innovatieve vermogen van de Mittelstand’, zegt Van Beuningen.
Jurgens weet dat de perceptie is dat Duitse ondernemingen lethargisch en stroperig zijn, maar familiebedrijven hebben volgens hem ook een positieve kant. ‘Ze zijn vaak conservatief, bijvoorbeeld ten aanzien van hun financiering. De Duitse bedrijven in Juno’s portefeuille hebben weinig tot geen vreemd vermogen op de balans. Ze hebben er namelijk een hekel aan dat banken zich bemoeien met de strategie.’
Daarnaast gaat beleggen ook om zo min mogelijk geld verliezen, besluit hij. ‘In die context is het beter als een bedrijf rustig zijn uitgestippelde pad volgt en niet aan elke hype meedoet. Vergelijk het met marathonlopers. Die worden soms ingehaald door sprinters, maar zijn wel eerder aan de eindstreep.’
Dit artikel is gepubliceerd in het Fondsnieuws-magazine van oktober.