Zogenoemde fast fashion bedrijven worden nu nog vaak gemeden vanuit een ESG-perspectief. Het bedrijfsrisico dat voortvloeit uit dergelijke bedrijfsmodellen wordt echter steeds meer onderdeel van het reguliere beleggingsproces.
Dat zegt Matthew Siddle (foto), portfolio manager bij Fidelity, in een gesprek met Fondsnieuws. Siddle beheert het European Larger Companies Fund, dat zoals de naam doet vermoeden belegt in grote Europese kwaliteitsbedrijven, waaronder kledingconcerns als Inditex en Associated British Foods (ABF).
Het fonds van Siddle is geen ESG-fonds, maar een traditioneel core fonds, benadrukt hij. Dit betekent dat ESG-overwegingen wel meespelen bij het selecteren van beleggingen, maar dat het niet het hoofdcriterium is.
‘Ik kijk naar de balans tussen de kwaliteit van het businessmodel en de waardering.’ Onder de kwaliteit van het businessmodel verstaat hij de winstontwikkeling voor aandeelhouders, de mate waarin het bedrijf waarde creëert en de toekomstige groeimogelijkheden. ‘Deze karakteristieken bekijken we vanuit een vergelijkend perspectief met concurrenten, maar ook vanuit een ESG-perspectief’, aldus Siddle.
ESG-criteria zijn door de jaren heen steeds meer geïntegreerd in de beoordeling van de kwaliteit van een businessmodel, legt hij uit. ‘In beginsel letten we voornamelijk op het Governance-aspect, maar dat is nu wel echt veranderd. We hebben inmiddels ook veel meer kennis van de Ecologische en Sociale kant. Twee aspecten die binnen de mode-industrie ook enorm belangrijk zijn.’
Mode-industrie steeds meer onder vuur
De mode-industrie ligt namelijk steeds meer onder vuur door de enorme milieubelasting en slechte arbeidsomstandigheden. Zo worden voor de productie van een spijkerbroek bijvoorbeeld 7.000 liter water en veel chemicaliën gebruikt. Tel hier het wereldwijde transport bij op en de kledingindustrie komt, na de olie-industrie, op tweede plaats van de meest vervuilende industrieën ter wereld.
Daarnaast is er steeds meer aandacht voor het menselijk leed dat schuilgaat achter de kledingproductie. De Rana Plaza-ramp in 2013 in Bangladesh waarbij 1135 mensen omkwamen, staat bij velen in het geheugen gegrift. Tijdens de coronacrisis is ook maar weer gebleken dat deze problemen de wereld nog niet uit zijn.
Een journalist van The Sunday Times legde onlangs de misstanden bij een kledingfabriek in het Britse Leicester bloot. Arbeiders bleken hier ruim onder het minimumloon te werken. Ook werden besmette medewerkers tijdens de coronacrisis gedwongen om te komen werken en kregen medewerkers in quarantaine niets uitbetaald. Het Britse kledingconcern Boohoo dat veel van haar productie heeft ondergebracht in de fabrieken in kwestie, werd in navolging van dit nieuws fors afgestraft op de beurs.
De verborgen kosten van fast fashion
Het was voor Siddle aanleiding om het artikel “Overcoming fast fashion’s hidden costs” te schrijven. Hierin stelt hij dat de risico’s van het fast fashion bedrijfsmodel en daarmee gepaard gaande kosten steeds zichtbaarder worden.
Naast het feit dat dit niet wenselijk is voor het klimaat en de arbeiders, werpt Siddle een beleggersblik op de kwestie. Zo stelt hij dat door dergelijke schandalen de kans toeneemt dat de Britse overheid regelgeving gaat opleggen, die een negatieve impact zal hebben op de resultaten van het bedrijf. Door kritisch naar het bedrijfsmodel en productieproces te kijken, kan het risico op dergelijke verliezen verkleind worden. Hiermee brengt hij dit ESG-probleem in de “reguliere/traditionele” beleggingspraktijk.
Het is moeilijk om waarderingen zodanig te ontleden, dat het duidelijk wordt in welke mate fast fashion gerelateerde risico’s meewegen. Toch meent Siddle wel dat het steeds duidelijker wordt dat het wel degelijk impact heeft. ‘Bij de scherpe koersdaling van Boohoo, was duidelijk zichtbaar dat de koers meer daalde dan de daadwerkelijke winst. Dit toont aan dat het een wezenlijk component is van de waardering.’
Siddle belegt zelf niet in het Boohoo, maar wel in concurrent Primark (onderdeel van Associated British Foods). Beide bedrijven bedienen prijstechnisch eenzelfde deel van de markt, maar de bruto winstmarge van Boohoo leidde bij Siddle en zijn team tot vragen. ‘De kosten voor een kledingstuk van Boohoo lagen lager dan dat van een kledingstuk van Primark. Dat geeft te denken als je je producten in het Verenigd Koninkrijk laat maken, waar het minimumloon relatief hoog is. De vraag hoe dit mogelijk was, kon naar onze smaak onvoldoende beantwoord worden.’
Transparantie over productieketen
Net als veel andere investeerders en stakeholders in de modeindustrie beschouwt Siddle transparantie over de productieketen en de -locaties als essentieel. ‘Het geeft comfort om zaken te doen met een bedrijf dat kan aantonen hoe frequent en op welke schaal er audits gedaan worden gedaan bij productielocaties. Daarnaast vinden wij het belangrijk om permanent inzichtelijk te hebben waar de productie gesitueerd is.’
Dit wordt onderschreven door NGO’s als Fashion Revolution. ‘Weten met welke fabrieken je te maken hebt en daar transparant over zijn is een eerste stap naar meer veiligheid en dus betere omstandigheden in de industrie.’
Siddle gaat hierbij niet alleen af op de informatie die bedrijven zelf verstrekken. In de analyse wordt ook gewerkt met externe data en worden concurrenten met elkaar vergeleken.
Engagement
Een andere belangrijke pijler van het ESG-beleid van Fidelity is de actieve engagement die wordt gevoerd met bedrijven. ‘Bij bedrijven of sectoren waar we een verhoogd risico zien, doen we dat ook intensiever. De kledingindustrie is hier een voorbeeld van. ABF heb ik bijvoorbeeld in de laatste drie jaar twaalf keer bezocht. Onze analisten hebben nog vaker contact met het bedrijf, dat komt bij ABF neer op zo’n 10 keer per jaar.’
Op de vraag of Fidelity als asset manager voldoende kennis heeft van deze moeilijk te doorgronden industrie, antwoordt Siddle dat hij hiermee vertrouwd op het centrale researchteam. ‘Doordat wij met een centraal researchteam werken, zijn analisten verantwoordelijk voor een specifieke sector. Hierdoor vertrouw ik erop dat zij alle ins & outs van de sector kennen.’