Het Noorse staatsfonds is met ruim 600 miljard euro aan beheerd vermogen het grootste beleggingsfonds ter wereld. Toch kunnen ook kleinere beleggers lessen trekken uit het beleid van het fonds.
Veel van de strategieën zijn prima te kopiëren.
Dat zei emeritus hoogleraar Elroy Dimson van de London School of Economics vorige week op een congres van Morningstar in Amsterdam.
Econoom
Dimson is voorzitter van de strategiecommissie van het Noorse staatsfonds. Maar zijn ‘claim to fame’ is een nog altijd lopend onderzoek naar zogenoemde risicopremies. Daarover bericht hij jaarlijks samen met zijn collega’s Paul Marsh en Mike Staunton. Hun jaarboek is verplichte kost voor professionele beleggers.
Opstrijken
Dimson raadt beleggers met een langetermijndoelstelling aan hun portefeuilles zo in te richten dat zij risicopremies kunnen opstrijken. ‘Dat is over een langere periode een stabielere manier van beleggen dan het najagen van stijgende markten.’ De grondgedachte is dat beleggers pas stukken zullen kopen als zij worden beloond voor het extra risico dat zij lopen. ‘Op basis van onze data over beleggingen sinds 1900, hebben wij aangetoond dat de wereldwijde premie op aandelen ten opzichte van Amerikaans schatkistpapier 3 tot 3,5 procent per jaar bedraagt’, vertelt Dimson.
De risicopremie op aandelen werd lange tijd gezien als de belangrijkste bron van extra rendement voor beleggers. Tegenwoordig weten we dat er meer factoren van invloed zijn op de prijzen van beleggingen, zoals omvang, momentum en het verschil tussen de boekwaarde en de beurswaarde.
Omvang
‘Die premies kun je proberen te oogsten’, stelt Dimson. ‘Zo is de omvang van bedrijven op de lange termijn een bepalende factor voor het rendement. Micro is beter dan klein, klein is beter dan groot. Voor fondsen met een verre beleggingshorizon is het daarom niet slecht om in kleine bedrijven te beleggen, al zullen ze af en toe moeten verkopen omdat een bedrijf in de problemen raakt.’ Het bestaan van zo’n omvangspremie werd al lange tijd aangenomen, maar Dimson kan aantonen dat die in de meeste markten écht bestaat. Een andere premie is de zogenoemde waardepremie. ‘Fondsen met een hoge boekwaarde ten opzichte van de beurswaarde presteren 2 tot 3 procent beter per jaar dan fondsen met een verhoudingsgewijs lage boekwaarde.’
Op de obligatiemarkten levert schuldpapier van bedrijven met een lage kredietwaardigheid een hoger rendement op dan obligaties van ondernemingen met een hoge kredietwaardigheid. ‘Sinds 2000 valt deze premie hoger uit dan over de lange termijn.’
Goede run
Dimson heeft met zijn database ook een ‘momentumpremie’ aangetoond. Een goede run van een aandeel blijkt vaak een voorbode van méér goede presentaties. De 20 procent best presterende aandelen uit een wereldwijde index over een jaar, leverden in het daaropvolgende jaar een gemiddeld rendement van 17,9 procent op. De ‘verliezers’ komen niet verder dan 9,6 procent totaalrendement. ‘Deze anomalie is bekend, maar verdwijnt desondanks niet.’
Het proberen te ‘oogsten’ van dit soort premies komt neer op het nemen van meer risico. Immers, de belegger zal minder spreiding aanbrengen in zijn portefeuille omdat hij ervoor kiest ‘overwogen’ te zijn in bepaalde beleggingen. Dimson waarschuwt wel daar voorzichtig mee te zijn. Aandelen mogen dan wel meer opleveren dan obligaties, toch is het niet verstandig om louter in aandelen te gaan zitten.
Lange adem
Voor het Noorse staatsfonds is spreiding binnen de portefeuille nog altijd het belangrijkst. Maar het fonds probeert ook ‘op bescheiden wijze’ premies binnen te harken. ‘Omdat premies soms een tijd verdwijnen en je niet weet of ze stand zullen houden, raad ik aan om je op veel verschillende premies te richten’, zegt Dimson.
Premiejagen is een tactiek voor beleggers met een lange adem. ‘Daarom moet je schokken kunnen weerstaan en niet gedwongen hoeven te verkopen als de markt tegenzit’, legt Dimson uit.
Copyright: Het Financieele Dagblad, 4 april 2014.