Fred de Jong
adviesbureau_freddejong_jong_de_fred.jpg

1 januari 2014 markeerde een mijlpaal in de financiële sector. De beleggingswereld kreeg te maken met een provisieverbod, terwijl in de verzekerings- en hypothecaire wereld de eerste verjaardag van het provisieverbod werd gevierd.

 

In beide sectoren was aanvankelijk veel verzet tegen het provisieverbod, met name vanuit de advieswereld. Toch lijkt vooralsnog de consument de grote winnaar te zijn, schrijft zelfstandig onderzoeker en consultant Fred de Jong, die ook verbonden is aan het Amsterdam Centre for Insurance Studies, in een opiniestuk op Fondsnieuws.Als de beleggingswereld het klantbelang echt centraal wil stellen, is het volgens De Jong verstandig om de ervaringen met hypotheken en verzekeringen tot zich te nemen.

De invoering van het provisieverbod op hypotheken en (complexe) verzekeringen kwam in een periode dat de markt economisch in zwaar weer zat. De hypotheekmarkt was krimpend, de individuele levensverzekeringsmarkt opgedroogd en de consument ging meer zelf doen, via internet.



Meer transparant

Voor zover financieel adviseurs door de economische omstandigheden al niet werden aangezet tot verandering, zorgde het provisieverbod wel voor dat extra duwtje. Financieel adviseurs hebben eigenlijk noodgedwongen hun verdienmodel verandert en zijn meer transparant geworden.



Wie dacht dat die grotere openheid over de verdiensten en de mate van onafhankelijkheid zou leiden tot een kleiner marktaandeel, komt voorlopig bedrogen uit. In de hypotheekmarkt heeft de zelfstandige (onafhankelijke) adviseur juist aan marktaandeel gewonnen, aldus onderzoek dat is uitgevoerd voor de AFM.



Ook is sinds de invoering van het provisieverbod de prijs voor een gemiddeld hypotheekadvies bijna gehalveerd. Met name doordat de banken hun adviestarieven sterk naar beneden hebben bijgesteld. Daarnaast veronderstelt de wetenschap dat de kwaliteit van advisering als gevolg van het prikkelloos werken, groter wordt.



Drempel hoger

Is er dan niets te klagen met betrekking tot het provisieverbod? Zeker wel. Het provisieverbod heeft er mede voor gezorgd dat de drempel voor financieel advies hoger is geworden. Tenminste in de beleving van consumenten.



Waar in het verleden ook al voor advies werd betaald, via de premie of rente, wordt die rekening nu gespecificeerd. Daar schrikken sommige consumenten in eerste instantie van waardoor men af kan zien van advies. Dit heeft echter niet altijd te maken met de hoogte van het adviestarief.



Veel consumenten ervaren te weinig toegevoegde waarde van de adviseur, waardoor men niet bereid is voor die dienstverlening te betalen. Ook hier valt steun te vinden in de wetenschap. Uit onderzoek blijkt dat geadviseerde consumenten gemiddeld genomen welvarender zijn dan niet-geadviseerde consumenten.



Toegevoegde waarde

Er wordt meer gespaard, betere voorzieningen getroffen, minder schuld gemaakt en dus meer vermogen opgebouwd. Naarmate advies onafhankelijker is, neemt dit effect in theorie toe. Voor de onafhankelijke adviseurs, wat er steeds minder zijn, ligt daar een ultieme uitdaging om die toegevoegde waarde concreet en tastbaar te maken voor de consument.



Het provisieverbod is de stok achter de deur voor de financieel adviseur om ook in de toekomst van economisch nut te zijn. Voor de beleggingsadviseurs die er in slagen om hun klant te overtuigen van hun toegevoegde waarde lonkt een mooie toekomst.



Ook de beleggingsadviseur zal met minder omzet per klant genoegen moeten nemen. De consument accepteert de te hoge tarieven niet meer als daar geen concrete waarde voor terugkomt. En die waarde is niet alleen maar in financieel voordeel uit te drukken, het gevoel dat een adviseur de zaken goed voor je regelt kan onbetaalbaar zijn.



De hele financiële sector zal het moeten doen met minder zelfstandige adviseurs, maar deze adviseurs staan wel een stuk sterker in hun schoenen om de concurrentie met banken en verzekeraars aan te kunnen. Met dank aan het provisieverbod.



De auteur is zelfstandig onderzoeker en consultant. Daarnaast is hij verbonden aan het Amsterdam Centre for Insurance Studies.

 

Author(s)
Categories
Access
Limited
Article type
Article
FD Article
No