Bewezen factoren zouden de markt op lange termijn moeten verslaan, maar er zijn ook perioden waarin ze achterblijven. Een werkende ‘timing’ of ‘rotatie’ strategie lijkt voor kwantbeleggers de heilige graal.
Factorstrategieën richten zich op het binnenhalen van een ‘premie’ die bepaalde eigenschappen op lange termijn met zich mee zouden brengen.
Boekenkasten zijn volgeschreven over het bestaan van tal van factoren. En er zijn genoeg argumenten om aan te nemen dat op deze manier naar de markt kijken ook in de toekomst kan lonen.
Lange termijn
Een belangrijk element in deze literatuur is dat de factoren zich op lange termijn bewijzen. Het kan dus jaren duren voordat significante outperformance kan worden verwacht. Beleggers moeten ook in jaren van underperformance maar blijven vertrouwen dat het op den duur goed komt.
In de praktijk zijn er echter maar weinig beleggers die dit daadwerkelijk doen. Zo wijzen statistieken over in- en uitstroom er consistent op dat beleggers geld onttrekken uit beleggingscategorieën die het slecht hebben gedaan en juist geld steken in de winnaars van gisteren.
En dat is niet eens een heel gek idee van beleggers. Het lijkt zelfs veel op de werking van de factor momentum, die neerkomt het kopen van de winnaars en verkopen van de verliezers. Immers, als de instroom in een segment groot is dan neemt de kans op stijgende koersen toe.
Slechte factor
In een recent artikel op ETF Trends zet John Lunt, van het gelijknamige Lunt Capital Management uit Salt Lake City, de rendementen van een aantal factoren in de tijd af tegen de S&P 500. In de tabel die hij samenstelde is duidelijk te zien dat bepaalde factoren het op lange termijn goed doen, maar tevens dat ze allemaal mindere periodes kennen.
Lunt wijst met name op de factor low volatility. Na het toeslaan van de kredietcrisis stroomden miljarden dollars richting ETF’s die op deze factor waren gericht – tenminste, tot en met de eerste helft van 2016.
Over de eerste zes maanden van dit jaar bedroeg het rendement voor low vol nog 12,3 procent, tegen 3,8 procent voor de S&P 500. ‘Maar van 1 juli tot 30 november was low vol de slechterik en daalde met 4,2 procent, terwijl de S&P 500 met 5,7 procent steeg’, wijst Lunt.
Factor waardering
De belegger kan zich afvragen of de factor low vol nu ‘stuk’ is. Lunt denk in elk geval van niet en wijst op de duidelijke lange termijn outperformace, zoals te zien is in de kolom over 15 jaar.
Wel staat hij, naast een gespreide aanpak, een vorm van ‘factor-rotatie’ voor. In een multi-factor portefeuille schuift hij met de wegingen op basis van flows.
Een andere aanpak is kijken naar de waardering van de individuele factoren. Rob Arnott van Research Affiliates gaf afgelopen zomer een presentatie bij VBA Beleggingsprofessionals, waarin hij juist wees op het prijsopdrijvende effect van ‘performance chasing’.
De instroom had bijvoorbeeld de low vol factor extreem duur gemaakt. De factor waarde was van alle onderzochte factoren het goedkoopst. In juni zei Arnott in een zaal vol Nederlandse professionals: ‘Is dit dus een goed moment om waarde te kopen? Waarschijnlijk wel.’
Nu kunnen we stellen dat dit het ideale aankoopmoment was. Waarde-aandelen hebben een enorme run gemaakt en hebben in de tweede helft van dit jaar de S&P 500 ruim verslagen. Hun year-to-date rendement staat op een respectabele 14,5 procent.
Rendementen factorstrategieën VS
