Skyline Shanghai
i-KMJVCPM-XL.jpg

Dreigt een schuldencrisis in China die de wereld mee het moeras in trekt? Nee, denkt Arthur Kroeber van het researchbureau Gavekal Dragonomics, een echte systeemcrisis is onwaarschijnlijk. Maar de situatie is gevaarlijk voor commerciële banken in steden, schrijft Kroeber in een bijdrage voor Fondsnieuws.

De wereld is niet meer zo bezorgd over China als zij twee jaar geleden was, toen een beurscrash, een geblokkeerde valuta-devaluatie en een kapitaalvlucht de vraag opriepen of de een na grootste economie van de wereld zou ontsporen.

Hoewel China sindsdien sterk herstel laat zien met een stabiele groei van het bbp van bijna 7 procent en de kapitaalvlucht getemd wordt, resteren de zorgen. Groei en stabiliteit worden gekocht met een stijging van de schuld en schaduwleningen. Daarom is de vraag gepast hoe groot de druk in het financiële systeem van China is en hoe groot het risico van een crisis.

De stijging van de schulden in China was het afgelopen decennium buitengewoon groot. De gecombineerde schuld van huishoudens, bedrijven en overheid steeg van een redelijk stabiel niveau van minder dan 150 procent van het bbp vóór de wereldwijde financiële crisis, tot 262 procent eind 2016.

Hoewel dat niveau niet ongewoon is voor volwassen economieën met ontwikkelde financiële systemen, is dit vrij hoog voor een opkomende markt. Belangrijker, zo’n snelle kredietstijging in korte tijd is vaak een signaal van een financiële crisis.

Oorzaak kredietstijging

De snelle stijging van de schuld komt voort uit twee factoren. Ten eerste wil de regering het bbp snel laten groeien en daarvoor moet het de economie periodiek stimuleren door veel krediet in de infrastructuur en de woningmarkt te pompen. Ten tweede heeft de financiële sector van China in de afgelopen jaren een dramatische deregulering ondergaan.

Deze wordt gedeeltelijk gedreven door de wens van de regering naar een flexibeler financieel systeem om tegemoet te komen aan de behoeften van de opkomende consumenten- en diensteneconomie. Een andere drijfveer is de vraag van de middenklasse naar een breder scala aan financiële producten dan de traditionele opties van bankdeposito’s en illiquide vastgoed. Hoewel de meeste analyses zich richten op het schuldniveau als de potentiële trigger voor een crisis, is deregulering eigenlijk belangrijker.

Deregulering van het systeem

Het effect van deregulering op de structuur van het financiële systeem is enorm. In 2007 was 86 procent van de financiële activa van banken, en van die activa was twee derde in handen van slechts acht banken, die dan weer rechtstreeks werden beheerd door het ministerie van financiën: de vijf ‘commerciële banken in staatsbedrijven’ (zoals de Bank of China) en de drie ‘beleidsbanken’ (zoals China Development Bank).

Bijna alle financiële activa waren ofwel bankleningen ofwel obligaties met een laag risico uitgegeven door overheidsinstellingen of de centrale bank.

Vandaag de dag is het beeld heel anders. Banken hebben ruim 70 procent van de financiële activa, wat betekent dat bijna een derde van het krediet uitgegeven wordt door niet-banken, zoals assetmanagers en brokers. Veel van deze bedrijven bestonden tien jaar geleden nog niet.

Hun uitstaande leningen bedragen nu een zesde van de conventionele bankleningen. De obligatiemarkt bloeit, door een stijging van de emittenten van credits en van schuldpapier van lokale overheden. De banksector zelf heeft ook gediversifieerd. De banken die rechtstreeks door de centrale overheid worden beheerd, controleren ongeveer 55 procent van de assets van banken, een daling van 10 procent vanaf 2007.

Het grootste deel van dat verlies in marktaandeel is ongeveer  vierduizend kleine stads- en commerciële banken ten goede gekomen, die nu goed zijn voor 26 procent van het banksysteem, tegen 16 procent in 2007. In absolute termen verzevenvoudigde de activa van deze kleinere banken.

Schaduwleningen

Deze toename bij de kleinere banken — met name bij de commerciële banken van de stad — werd niet gedreven door deposito’s. In plaats daarvan lenen deze banken geld van de grotere banken en stellen ze dit geld beschikbaar voor investeringen aan partijen zoals trusts, vermogensbeheerders en brokers. In veel gevallen zijn deze investeringen, die verpakt worden als hoogwaardige ‘wealth-managementproducten’, schaduwleningen aan bedrijven en lokale overheidsleden.

Dat gedrag is riskant. Ten eerste is de financiering op de interbancaire markt minder stabiel dan de retailfinanciering van deposito’s. Geldverstrekkers denken dat het banken zijn die in staatsbezit zijn en dus gegarandeerd. Maar de grote banken kunnen hun financiering aan kleinere banken staken als ze de risico’s zien stijgen.

Ten tweede, een bank die veel van zijn leningen classificeert als ‘beleggingen’ heeft bijna zeker een zwakkere kapitaalbasis dan de balans laat zien. Dit betekent dat tegenover de uitstaande leningen van 100 yen een kernkapitaal moet staan van 8 yen. Maar voor banken die geld beschikbaar stellen voor investeringen is de risicoweging dat voor 100 yen aan uitstaande leningen slechts een kernkapitaal nodig is van 2 yen. Hierdoor kunnen deze banken snel groeien, ondanks dat ze een smalle kapitaalbasis hebben. 

Spaarbankencrisis à la VS?

Bij de beursgenoteerde stadsbanken wier financiële gegevens gemakkelijk in te zien zijn, zijn de beleggingsportefeuilles eigenlijk groter dan hun leningsportefeuilles. Aangezien ten minste de helft en misschien zelfs twee derde van de ‘investeringen’ feitelijk schaduwleningen zijn, betekent dat dat de stadsbanken hun kapitaalkracht waarschijnlijk met twee of drie procentpunten overdrijven. 

Deze analyse stelt ons in staat om nauwkeuriger te zijn over het financiële risico in China. Ondanks de snelle groei van de schuld is een systeemcrisis onwaarschijnlijk: de totale lening/deposito-ratio is met 115 procent nog steeds laag, terwijl het systeem niet afhankelijk is van in het buitenland geleende activa, terwijl de overheid bijna alle belangrijke financiële instellingen bezit, alsook de meeste probleemleners, zoals lokale overheden en grote staatsbedrijven. Daarom is er weinig kans op een liquiditeitsval die een groot probleem zou kunnen veroorzaken. 

Maar de situatie in de lokale, commerciële banken in steden is gevaarlijk. Zij lijkt enigszins op de spaarbankencrisis in de Verenigde Staten in de jaren tachtig. Deze banken groeiden ook snel door risicovolle investeringen in een nieuw deregulerend financieel systeem waarin veel partijen insolvent werden. Het oplossen van deze crisis kostte acht jaar (1986-1994). Tegelijkertijd waren deze banken klein en lokaal, zodat deze problemen niet uitgroeiden tot een nationale crisis.  

Als de praktijken van de commerciële stadsbanken niet worden gecontroleerd, dan zou China zijn eigen ‘spaarbankencrisis’ kunnen krijgen. Gelukkig lijken de Chinese toezichthouders alert. In maart begonnen ze met het aanpakken van het gebruik van interbancaire financiering in plaats van deposito’s en schaduwleningen als ‘beleggingen’.

Interbancaire leningen zijn al sterk gedaald, ondanks dat het krediet aan de reële economie is gestegen. Deze aanpak van de financiële hefboomwerking was achterstallig en biedt hoop dat China ondanks de snelle stijging van de schuld een groot financieel ongeluk kan voorkomen. 

De auteur is oprichter van Dragonomics en hoofd research van Gavekal Dragonomics. Dit artikel staat in het Fondsnieuws-magazine dat op 1 november is verschenen.

 

Author(s)
Categories
Access
Limited
Article type
Article
FD Article
No