Het timen van beleggingen is een groot struikelblok voor beleggers. Ze hebben de neiging om de markt te volgen en zich over te leveren aan kortzichtigheid. Beleggers raken in paniek wanneer markten dalen en verkopen hun posities, om vervolgens te twijfelen wanneer de markt weer aantrekt en dan pas weer in te stappen nadat de grootste koersstijging is gerealiseerd.
Ze lopen dus achter de feiten aan en kopen hoog en verkopen laag, zegt Jeffrey Schumacher, fondsanalist en hoofd research van Morningstar Benelux in deze bijdrage voor Fondsnieuws.
De gevolgen van dit gedrag zijn meetbaar door de gerapporteerde rendementen van beleggingsfondsen (total return) te vergelijken met het voor in- en uitstroom gecorrigeerde rendement dat beleggers in het fonds hebben behaald (investor return). Wanneer beleggers goed kunnen timen, dan is de beleggingsrendement hoger dan de total return en vice versa. Uit het onderzoek van de fondsenvergelijker blijkt dat het beleleggingsrendement vaak lager is dan de total return, vooral bij volatiele categorieën, waaronder sectorfondsen. Dat is in de sector energie niet anders.
BlackRock World Energy bijvoorbeeld, realiseerde over de laatste drie jaar een geannualiseerd rendement van -11,02 procent, maar de gemiddelde belegger in het fonds behaalde een beleggingsrendement van -13,77 procent. We zien hetzelfde voor Schroder Global Energy (-20,89 procent versus -21,52 procent), Invesco Energy (-16,18 procent versus -22,59 procent) en Lombard Odier Global Energy (-15,55 procent versus -27,93 procent).
Hoge volatiliteit
Deze cijfers zijn niet zo verwonderlijk, gegeven de hoge volatiliteit waarmee de sector de afgelopen drie jaar te kampen heeft gehad. De forse daling van de olieprijs trok de hele sector met zich mee omlaag, waarna er in 2016 een sterk herstel volgde vanaf het dieptepunt in februari.
De verkiezing van Donald Trump zorgde voor een extra boost en de sector die in 2014 en 2015 het slechtst presteerde stond in 2016 ineens aan kop met een rendement van 30,35 procent voor de MSCI World/Energy Index. De storm waarin de sector zich bevond, leek te gaan liggen, mede dankzij de productiebeperkingen van de OPEC en andere olieproducerende landen. De sector die sinds de val van de olieprijs vooral aan het overleven was, dacht voorzichtig aan een herstel.
Die hoop lijkt vooralsnog ijdel. Eind 2016 noteerde de prijs van een vat Amerikaanse WTI-olie nog op 56 dollar, maar zakte dit jaar naar een dieptepunt rond 42 dollar, om vervolgens weer iets op te veren naar niveaus rond 47 dollar. Moeizame discussies over het verder beperken van de olieproductie, de hoge olievoorraden en de toenemende productie en veerkracht van Amerikaanse schalieolieproducenten zetten druk op de olieprijs.
Peak oil
Daarnaast rijst de vraag of de vraag naar olie niet aan het pieken is, omdat schonere, alternatieve energiebronnen steeds prominenter in beeld komen om het zwarte goud te vervangen. De toenemende interesse van autofabrikanten in de productie van elektrische auto’s is daarvan een voorbeeld, waar Volvo recent aankondigde dat alle nieuwe modellen vanaf 2019 elektrisch of hybride zullen zijn. Deze factoren zorgden ervoor dat de euforie en hoop op herstel snel vervloog.
De sector energie is gemeten over de eerste zeven maanden van 2017 wederom de slechtst presterende sector, met een rendement van -16,34 procent voor de MSCI World/Energy Index. Het grillige karakter van de sector komt ook duidelijk tot uiting in de standaarddeviatie, die gemeten over drie jaar uitkomt op 17,88 procent voor de energie-index, tegenover 11,96 procent voor de MSCI World Index.
Breder blikveld
De energiefondsen die in de top-5 staan, schrijven in 2017 per eind juli dan ook allemaal dubbelcijferige rode cijfers. ODIN Energi weet de schade het beste te beperken met een verlies van iets meer dan 12 procent. Het fonds belegt dan ook niet uitsluitend in olieproducenten en hun toeleveranciers.
Posities in Siemens en ABB, maar ook in alternatieve energie zoals Vestas Wind Systems en First Solar laten zien dat het blikveld van dit fonds wat breder is. Deze posities geven tegenwicht aan de slechte prestaties van de traditionele energienamen, waaronder veel oliemajors en bedrijven die van de investeringen van deze bedrijven afhankelijk zijn, zoals Halliburton en Schlumberger.
De tweede plaats wordt ingenomen door NN Energy Fund. Dit fonds is onderdeel van de sectorfondsenrange van NNIP, waar sinds 2015 een andere wind is gaan waaien. De aandelenanalisten van het fondshuis en het kwantitatieve team hebben een sterkere invloed gekregen in het beheer van het fonds, dat ook geconcentreerder en actiever is gaan beleggen.
Zo daalde het aantal posities van 56 in 2014 naar 35 in 2017. Ook in dit fonds vormen de geïntegreerde oliebedrijven de hoofdmoot van de portefeuille, met Royal Dutch Shell, Total en BP als top-3 posities die gezamenlijk bijna 25 procent van de portefeuille beslaan.
De overige posities worden ingenomen door ETFs die de MSCI World/Energy Index zo nauwgezet mogelijk proberen te volgen, wat ook aangeeft dat actieve fondsen het lastig hebben in deze categorie. Veel fondsen hebben een overweging naar toeleveranciers aan de industrie, wat ten koste gaat van de grote oliebedrijven. Deze positionering werpt in 2017 vooralsnog geen vruchten af.
Top 5 energiefondsen
Rendementen in procenten, geannualiseerd, tot en met juli 2017
| Fonds | ytd | 3 jr | std dev 3 jr |
| Odin Energi | -12,58 | -19,55 | 19,36 |
| NN Energy Fund | -14,82 | - 6,31 | 19,08 |
| SPDR MSCI World Energy ETF | -16,19 | - 5,80 | 17,79 |
| DB Xtrackers MSCI World Energy ETF | -16,24 | - 5,79 | 17,90 |
| Lyxor MSCI World Energy ETF | -16,47 | - 6,11 | 17,89 |
Bron: Morningstar
Dit artikel is een samenwerking van Fondsnieuws met Morningstar en gebaseerd op data van deze fondsbeoordelaar. Bovenstaande is nadrukkelijk niet bedoeld als een aanbeveling tot het doen van transacties.