De negatieve economische gevolgen van vergrijzing worden overdreven. Beleggers doen er echter wel goed aan om kritisch te kijken naar de geografische spreiding van hun portefeuille. Spreiding naar markten die verschillen qua groei en demografie bieden de beste kans op succes.
De Amerikaanse assetmanager Vanguard ontrafelt op basis van wereldwijd onderzoek in 45 ontwikkelde- en opkomende landen vijf mythes over de economische gevolgen van een vergrijzende bevolking.
De combinatie van een bevolking die minder hard groeit, maar wel langer leeft, vormt de huidige realiteit. Over de economische gevolgen daarvan wordt echter nog gespeculeerd. Door de vergrijzing zou er in de toekomst meer gespaard en minder geconsumeerd worden. Er zal daarnaast minder geïnvesteerd worden terwijl met het stijgen der jaren het vertrouwen afneemt, zo luidt de consensus.
Per saldo betekent dat minder economische groei en dat zal de beleggingsmarkten niet ongemoeid laten. Een team van economen van Vanguarud spreekt deze en andere veronderstellingen tegen in het researchpaper ‘The economics of a graying world’.
Verkoopgolf babyboom-generatie
Een veelgehoord scenario is dat van mensen uit de babyboom-generatie die in verband met hun (naderende) pensionering in toenemende mate risico afbouwen en hun beleggingen liquide zullen maken. Doordat het jongere deel van de bevolking niet groot genoeg is om deze verkoopgolf te absorberen zullen de rendementen op aandelen dalen.
Volgens Vanguard is dit scenario niet aannemelijk. Zo blijkt er in de eerste plaats geen bewijs voor de aanname dat oudere mensen minder vermogen opzij zetten. Het uitgangspunt dat vooral werkende mensen dat doen en deze groep kleiner wordt, waardoor de rente zal stijgen en aandelenrendementen dalen, klopt niet. Het is juist zo dat omwille van pensioengaten en het op latere leeftijd met pensioen gaan, mensen langer doorsparen.
Hoewel Vanguard niet betwist dat de babyboom-generatie een zeer vermogende generatie is, betwijfelt de assetmanager of risicoreductie in hun beleggingsportefeuille een hoofdprioriteit is. Deze vermogende particulieren hebben hun vermogensdoelstellingen vaak breder geformuleerd en investeren bijvoorbeeld ook in onroerend goed.
Van de jongere generatie wordt onterecht gesteld dat deze minder belegt, omdat zij maar weinig geld over heeft door haar (relatief grote) schuldpositie en de bijbehorende lasten. volgens Vanguard ligt dat echter genuanceerder.
Jonge generatie belegt meer
Huishoudens onder de 35 jaar hebben door de jaren heen wel meer schulden opgebouwd, maar met de lage rentes zijn de lasten ook lager en blijft er dus wel degelijk ruimte over om te beleggen. In combinatie met de trend van ‘defined contribution pensioenregelingen’ waarbij mensen zelf het zeggenschap over hun beleggingen heeft, zorgt dat ervoor dat deze generatie per saldo meer belegt.
Ook de veronderstelling dat de consumptie onder invloed van vergrijzing daalt, klopt volgens de economen van Vanguard niet. Aangenomen wordt dat de daling van het inkomen uit arbeid ervoor zorgt dat oudere mensen minder consumeren, maar dit is niet het geval. De consumptie daalt niet op oudere leeftijd, stelt Vanguard, maar verschuift slechts naar een ander consumptieprofiel.
Consumptie blijft constant
Dit ontkracht ook het vaak gelegde verband tussen vergrijzing en deflatie, waartoe vaak verwezen wordt naar Japan. Onderstaande grafiek laat echter zien dat in zowel ontwikkelde- als opkomende markten de consumptie als percentage van het hoogst genoten inkomen gedurende het hele leven relatief soepel blijft, beginnend in de jonge volwassenheid.

Tot slot concludeert Vanguard dat demografische trends een neutraal tot negatief effect hebben op de groei van het bruto binnenlands product (BBP) op de lange termijn. Het BBP wordt beïnvloed door drie elementen populatie, participatie en productiviteit.
Hoewel de hogere pensioengerechtigde leeftijd op de korte termijn kan leiden tot hogere participatiegraden, heeft vergrijzing uiteindelijk wel een directe negatieve invloed op de bevolkingsgroei en daarmee op de arbeidsparticipatie. Dit verband is veel minder sterk als er sprake is van productiviteitsgroei.
Een kleinere beroepsbevolking hoeft namelijk niet te leiden tot een lagere productiviteit. Uitgaande van een stabiele vraag en een kleinere beroepsbevolking, is het aannemelijk dat de productiviteit zelfs toeneemt naarmate hogere arbeidskosten investeringen stimuleren.