Meer dan een eeuw lang was het volgens professor Paul Marsh van de London Business School ‘vrij onverstandig’ om je als belegger tegen de Verenigde Staten te positioneren. Ook in de toekomst zullen de VS dominant blijven in termen van marktomvang, maar de outperformance zou weleens voorbij kunnen zijn, meent hij.
Alleen al qua omvang blijven de VS het anker van de mondiale kapitaalmarkten. Amerikaanse aandelen vertegenwoordigen vandaag 62 procent van de wereldwijde marktkapitalisatie. De grootste obligatiemarkt ter wereld bevindt zich in dezelfde jurisdictie.
Die dominantie zal de VS blijven vasthouden, volgens de verwachting van Marsh. ‘Als je kijkt naar dat marktaandeel van 62 procent en naar de dichtstbijzijnde concurrenten – Japan als tweede, gevolgd door China en het Verenigd Koninkrijk – dan staan die zo ver achter dat de Amerikaanse dominantie alleen serieus wordt aangetast als we tien tot twintig jaar lang slechte rendementen in de VS zien en uitstekende rendementen in de rest van de wereld,’ zegt Marsh in antwoord op een vraag van Investment Officer.
Die dominantie betekent echter niet automatisch dat de Amerikaanse markt ook de komende decennia beter zal presteren. Omvang en toekomstig rendement zijn twee verschillende grootheden. Marsh, hoogleraar finance aan London Business School, sprak bij de presentatie van het UBS Global Investment Returns Yearbook 2026. Zijn conclusie was genuanceerd. De VS zullen naar verwachting nog lange tijd dominant blijven in termen van marktomvang. Maar voor de komende twintig jaar verwacht hij dat de rendementen in de VS grofweg vergelijkbaar zullen zijn met die in de rest van de wereld. Niet lager. Maar ook niet hoger.
Rendement per generatie
Een blik door de generaties heen maakt die verschuiving concreter. Babyboomers, die sinds 1950 belegden, realiseerden een reëel aandelenrendement van gemiddeld 7 procent per jaar. Voor Generatie X, sinds 1970 actief, lag dat op 5,7 procent. Millennials, sinds 1990 belegd, kwamen uit op 5,1 procent. Zelfs Generatie Z, gestart in 2010, zag tot nu toe 7,1 procent, zij het in een relatief korte periode met uitzonderlijke monetaire steun. Voor de volgende lichting, Generatie Alpha, is de projectie terughoudender: 4,2 procent reëel rendement op aandelen, 2,0 procent op obligaties en 3,4 procent voor een 60/40-portefeuille.
Als die vooruitzichten uitkomen, verschilt het beleggingsklimaat voor de volgende generatie wezenlijk van dat waarin de afgelopen halve eeuw vermogen werd opgebouwd. Evenwichtige portefeuilles leveren naar verwachting positieve reële rendementen op, zij het zonder de krachtige aandelenwind in de rug die eerdere generaties kenden.
Het Yearbook, samengesteld met Mike Staunton van London Business School en Elroy Dimson van Cambridge University, is gebaseerd op een databestand dat teruggaat tot 1900 en inmiddels negentig landen omvat. Over een periode van 126 jaar biedt het een van de meest uitgebreide historische overzichten van rendementen en risico’s op financiële markten.
Die lange reeks verklaart mede de huidige positie van de VS. Sinds 1900 realiseerden Amerikaanse aandelen een gemiddeld reëel rendement van 6,6 procent per jaar, tegenover 1,6 procent voor obligaties en 0,5 procent voor staatspapier. Over de lange termijn bleken aandelen structureel beter in staat om koopkracht te behouden, ondanks forse tussentijdse verliezen en lange periodes van tegenvallende prestaties.
De dataset documenteert ook episodes van volledig vermogensverlies. Rusland kende een totaal marktverlies in 1917 en opnieuw in 2022. China maakte in 1949 een vergelijkbare breuk door en keerde later terug in de mondiale index. Duitse obligaties werden weggevaagd tijdens de hyperinflatie van 1922 en 1923. Historische rendementen gingen gepaard met reële risico’s.
Sterke punten in koers verwerkt
Tegen die achtergrond springt de Amerikaanse outperformance in het oog. In de afgelopen eeuw groeide de VS uit van een perifere markt tot het zwaartepunt van de mondiale kapitaalmarkten. Sterke rendementen en aanhoudende aandelenuitgiftes vergrootten het wereldwijde marktaandeel, zelfs terwijl het aandeel in het mondiale bbp daalde ten opzichte van de piek in het midden van de twintigste eeuw.
‘In relatieve termen heeft de VS veel in zijn voordeel. Het land beschikt over een sterke kapitalistische cultuur, uitstekende bedrijven en meerdere structurele voordelen. Er zijn goede redenen waarom het historisch zo goed heeft gepresteerd,’ aldus Marsh tegen Investment Officer.
‘Op een bepaald moment moeten die sterke punten echter volledig in de koersen zijn verwerkt. De visie die mijn collega’s en ik doorgaans hanteren, is dat markten gemiddeld genomen redelijk goed prijzen. Vooruitkijkend verwachten we daarom dat de rendementen in de VS de komende twintig jaar in grote lijnen vergelijkbaar zullen zijn met die in de rest van de wereld. Niet lager, zoals in de afgelopen veertien maanden, maar ook niet hoger, zoals gedurende een groot deel van de geschiedenis.’
Valutarisico
De bredere conclusies van het Yearbook bevestigen dat langetermijnperspectief. Aandelen waren sinds 1900 de best presterende liquide beleggingscategorie. Ontwikkelde markten presteerden over de gehele periode beter dan opkomende markten, al namen opkomende markten in recentere decennia vaker de leiding.
Inflatie blijft daarbij een bepalende factor. In de VS bedroeg de gemiddelde inflatie sinds 1900 2,9 procent per jaar, wat betekent dat 1 dollar in 1900 overeenkomt met 38 dollar aan koopkracht vandaag. Aandelen leverden historisch positieve reële rendementen op, terwijl obligaties gevoeliger bleken voor inflatie-schokken.
Nieuwe analyses in het Yearbook onderstrepen daarnaast het belang van valutarisico. Wisselkoersschommelingen voegden gemiddeld circa 6 procentpunt toe aan de volatiliteit van portefeuilles, met relatief grotere impact op vastrentende beleggingen dan op aandelen.