De theorie en de praktijk van factorbeleggen lopen nogal eens uiteen. Zoals met veel beleggingsstrategieën, staat of valt succes met consistente implementatie, oog voor kosten en voldoende geduld.
Dit zegt Brian Wimmer (foto) van Vanguard in een telefonisch interview met Fondsnieuws. Op het moment van spreken, zit de senior beleggingsstrateeg in Londen. Het voor werknemers van Vanguard geldende verbod om af te reizen naar het Europese continent verhinderde hem afgelopen dinsdag aanwezig te zijn bij de door Fondsnieuws georganiseerde masterclass over factorbeleggen in Amsterdam.
Actief en passief
In de presentatie die hij hier zou geven, focust Wimmer op de volgens hem belangrijkste overwegingen en mogelijke voordelen van factorbeleggen. Maar allereerst wil hij de indruk wegnemen dat Vanguard een louter passief fondshuis zou zijn. Al sinds de oprichting in 1975 biedt de Amerikaanse manager actieve strategieën.
Als aanbieder van beide kanten van het spectrum, staat Vanguard open en onbevooroordeeld tegenover het concept factorbeleggen. ‘Het heeft karakteristieken gemeen met zowel traditionele actieve als passieve strategieën’, licht de strateeg toe.
Binnen een gespreide portefeuille lijkt een combinatie van de twee hem bovendien ‘zinvol’. Het passieve deel van de portefeuille kan de kosten en de afwijking ten opzichte van de benchmark reduceren. Er zijn maar weinig beleggers die de kosten en fluctuaties van een volledig actieve portefeuille willen dragen.
Risico en rendement
Daarnaast is Vanguard overtuigd van factoren in de markt die de risico-rendementsverhouding van de portefeuille kunnen verbeteren. ‘Maar onderhand zijn er zo’n 300 factoren beschreven in de academische literatuur. Als je die allemaal zou implementeren, ben je denk ik weer dicht bij de marktportefeuille.’
Vanguard selecteert de te volgen factoren op basis van drie uitgangspunten, legt Wimmer uit. Om te beginnen moet er een ‘blijvende en logische verklaring’ voor zijn. Verder moet het bestaan grondig zijn aangetoond. En ten slotte moet het toe te passen zijn in portefeuilles in de ‘echte wereld’.
Voor aandelen zijn de meest gebruikte factoren: value, momentum, low volatility, low liquidity, size en profitablity. Ook Vanguard neemt deze zes als vertrekpunt, maar sluit niet uit dat het aantal de komende tijd nog kan variëren.
Innen van premie
Handelskosten en de beperking niet short te mogen gaan, maakt dat maar een deel van de theoretische factorpremie ook daadwerkelijk geïnd kan worden. Wimmer: ‘Als de factor outperformance in theorie 3 procent is, kan dit bijvoorbeeld maar voor 20 tot 40 procent reproduceerbaar zijn en is maar circa 1 van die 3 procent premie inbaar.’
Ook tussen aanbieders zijn de verschillen wat dit betreft groot. ‘Je ziet verschillen van 5 tot 10 procent op jaarbasis’, zegt de strateeg over het verschil in doelmatigheid waarmee schijnbaar identieke strategieën worden geïmplementeerd, bijvoorbeeld binnen een groep fondsen die zich richten op de factor value.
Daarnaast blijken veel actieve strategieën bij nader onderzoek weinig meer te zijn dan factorstrategieën tegen hogere kosten. ‘Het is 25 basispunten tegen 1 procent.’
Geduld schone zaak
Net als andere sprekers tijdens de masterclass, is Wimmer zich ervan bewust dat verschillende factoren op andere momenten outperformen. Zo bleven in 2014 eigenlijk alle factoren behalve low volatility achter bij de markt.
Beleggers kunnen bij Vanguard kiezen tussen benaderingen gericht op een of meerdere factoren. Met het oog op spreiding kan gekozen worden voor een multi-factor strategie.
Echter, waar anderen proberen de factoren te ‘timen’, is Wimmer kritisch. Hij baseert zich hierbij op eigen onderzoek van het fondshuis.
De fluctuaties kunnen groot zijn. ‘Zo deed value het erg goed na de internetzeepbel, maar na de crisis van 2008 juist heel slecht.’ Uiteindelijk kan je alleen verwachten beloond te worden na lang geduld, is zijn overtuiging.