
De afwezigheid van de registratiebelasting was een van de redenen waarom beheerders Ierland verkozen boven Luxemburg. Nu ze fondsen hebben opgericht en mooi gegroeid zijn, is het onwaarschijnlijk dat ze van vestigingsland zullen veranderen.
Dat zegt Mark Browne, partner en hoofd vermogensbeheer en fondsen bij Clerkin Lynch Solicitors. Luxemburg is van oudsher een toonaangevend vestigingsland voor fondsen in Europa, met name voor UCITS en alternatieve beleggingsfondsen. Voor ETF’s, een snelgroeiend segment, heeft Dublin echter een leidende positie ingenomen. De redenen daarvoor zijn structureel: kostenvoordelen, een sterk regelgevend kader en een ecosysteem dat al meer dan tien jaar expertise opbouwt in ETF’s.
‘ETF-managers kijken naar de kostenvoordelen op de lange termijn’, zegt Browne, die in Ierland is gevestigd. ‘Zelfs een paar basispunten maken een verschil en Ierland heeft zich gepositioneerd als de meer kostenefficiënte jurisdictie.’ De afschaffing van de registratiebelasting, de laatste stap van Luxemburg om Dublin in te halen op het gebied van ETF’s, is niet genoeg, aldus Browne.
De laatste stap van Amundi versterkt deze trend. De Franse vermogensbeheerder, de grootste van Europa, kondigde vorige week aan dat het 6,7 miljard euro aan ETF-activa overbrengt naar Ierland. De beslissing onderstreept de dominantie van Dublin als het vestigingsland bij uitstek voor ETF-emittenten en roept verdere vragen op over het vermogen van Luxemburg om in dit segment te concurreren.
Esma: gegevens ondersteunen anekdotisch bewijs
Jarenlang hebben insiders uit de sector opgemerkt dat Luxemburg een duurdere plek is om zaken te doen. Dit werd vaak afgedaan als anekdotisch, maar een recent rapport van de European Securities and Markets Authority (Esma) heeft het kostenverschil gekwantificeerd. Volgens de bevindingen van de toezichthouder hebben Luxemburg en Oostenrijk de hoogste fondskosten in Europa.
Het Esma-rapport bevestigde wat velen al vermoedden, volgens Browne. Luxemburg is gewoon een duurdere jurisdictie. In een beleggingscategorie die zo kostengevoelig is als ETF’s, is dat een structureel nadeel.
Esma onderzocht factoren zoals beheerkosten, distributiekosten en administratieve kosten. Hoewel het regelgevend kader van Luxemburg robuust blijft, blijven de hogere operationele kosten wegen op de concurrentiepositie.
Browne illustreert het kostenverschil met een praktisch voorbeeld: ‘Een verhaal dat ik altijd vertel is dat hoewel de afstand van het vliegveld naar het stadscentrum in Luxemburg de helft is van de afstand van het stadscentrum naar het vliegveld in Dublin, de taxi je twee keer zoveel kost. Dat is eigenlijk een goede maatstaf voor hoe, in het bedrijfsleven in het algemeen, alles veel meer lijkt te kosten dan je denkt dat het zou moeten.’
Het pioniersvoordeel van Ierland
Een andere factor die in het voordeel van Ierland werkt, is de vroege toetreding tot de ETF-markt. ‘Als een jurisdictie eenmaal expertise en infrastructuur heeft opgebouwd in een bepaalde activaklasse, wordt het heel moeilijk om deze van de markt te verdringen’, aldus Browne.
De groei van Ierland in ETF’s kan worden vergeleken met het voordeel van Luxemburg als eerste speler in Ucits. Tientallen jaren geleden vestigde Luxemburg zich als de belangrijkste hub voor Ucits-fondsen en trok het land grote spelers aan die sindsdien trouw zijn gebleven. Ierland is er door zijn vroege succes met ETF’s in geslaagd hetzelfde te doen.
Dit pioniersvoordeel gaat verder dan de kosten. Dienstverleners, juristen en marktdeelnemers hebben diepgaande expertise ontwikkeld in Dublin, waardoor het de natuurlijke keuze is voor ETF-emittenten. De zekerheid van regelgeving, in combinatie met de afwezigheid van registratiebelasting, heeft de positie van Dublin alleen maar versterkt.