Han Dieperink
Han Dieperink

Elke keer wanneer er sprake is van een oliecrisis wordt meteen het recessiescenario van stal gehaald. De olieprijs stijgt, analisten trekken hun grafieken erbij en binnen een week verschijnen de eerste waarschuwingen dat een recessie onvermijdelijk is. Maar de samenhang tussen oliecrises en recessies is veel zwakker dan wordt verondersteld.

Die samenhang bestaat voor een groot deel uit toevalligheden, en correlatie moet niet worden verward met causaliteit. Bovendien neemt de gevoeligheid van de wereldeconomie voor olie gestaag af, vanwege de sterk gedaalde olie-intensiteit en natuurlijk ook door de huidige oliecrisis. Met name deze eeuw is de afhankelijkheid van olie in veel landen fors afgenomen.

Laten we allereerst het gedoe over de olieprijzen in perspectief plaatsen. De olieprijs is deze eeuw sterk achtergebleven bij de ontwikkeling van de inflatie. Zo’n beetje alles is in prijs gestegen, behalve energie. Wellicht is dit vanuit Nederlands perspectief moeilijk voor te stellen, want de benzineprijs aan de pomp is hier wél fors gestegen. Maar dat is voor een belangrijk deel het gevolg van hogere accijnzen op brandstoffen. Die zijn gestegen van minder dan 60 cent in 2000 naar 84 cent nu. Inclusief btw betaalt de automobilist tegenwoordig meer dan 1 euro per liter aan belastingen. En dan nog: in 2000 kon je voor de prijs van een liter benzine tien eieren kopen, tegenwoordig zes of zeven. In 2000 kon je in een café nog een biertje bestellen voor de prijs van een liter benzine, nu kom je nauwelijks tot een half biertje. En niet omdat het bier zoveel duurder is geworden, maar meer de dienstverlening eromheen. Voor een groot deel door hogere lonen, maar dat betekent dus ook een hoger inkomen, zodat iedereen zijn biertje en zijn eieren kan betalen. Dat een hogere benzineprijs dan opeens een probleem zou zijn, past niet in dat plaatje.

De enige recessie die daadwerkelijk is veroorzaakt door een oliecrisis was de eerste, begin jaren zeventig. Alle recessies daarna hadden een andere oorzaak. De diepe recessies begin jaren tachtig werden veroorzaakt door Paul Volcker, de Amerikaanse Fed-voorzitter die in 1979 aantrad. Volcker liet de beleidsrente fors stijgen om opzettelijk een recessie uit te lokken en zo de hardnekkige inflatie onder controle te krijgen. Dat was monetair beleid, geen oliecrisis.

De eerste echte recessie daarna was in 1990. Natuurlijk is het verleidelijk om die te koppelen aan de gestegen olieprijs als gevolg van de eerste Golfoorlog, maar die recessie in de Verenigde Staten was bovenal een gevolg van de savings & loan-crisis, en die ging allesbehalve over olie. Direct na 2000 ging de recessie evenmin over olie, maar over het uiteenspatten van de dotcombubbel. En de hoge olieprijs rond 2008 was niet de oorzaak van de Grote Financiële Crisis, maar eerder het gevolg van de spectaculaire vraag naar olie vanuit China, dat na toetreding tot de Wereldhandelsorganisatie in 2001 een ongekende economische groei doormaakte.

De samenloop van recessies met hoge olieprijzen bestaat dus vooral uit toevalligheden. De werkelijke oorzaak van een recessie ligt vrijwel altijd in de economische hausse met excessen die hieraan voorafgaat. Te veel investeringen, te hoge voorraden, een arbeidsmarkt die oververhit raakt en een Fed die wordt gedwongen om in die euforie de rente te verhogen. De economie vertraagt en uiteraard daalt dan ook de vraag naar olie. De hoge olieprijs is eerder symptoom dan oorzaak.

De huidige oliecrisis kan zeer goed de laatste zijn. Het patroon is herkenbaar: net als begin jaren zeventig willen overheden minder afhankelijk worden van olie uit het Midden-Oosten. Die eerste oliecrisis gaf destijds een impuls aan de zoektocht naar olie buiten de regio. Het Brent-veld in de Noordzee werd begin jaren zeventig ontdekt en de exploitatie profiteerde van de toenmalige verdrievoudiging van de olieprijs. Bovendien werd energiebezuiniging de norm. De overheid kwam met subsidies op isolatie en dubbel glas.

Tegenwoordig is er een alternatief voor fossiele brandstoffen in de vorm van de energietransitie. Waar de energietransitie eerst werd afgedaan als een extreme opoffering voor klimaat en milieu, is het een economische noodzaak geworden door de problemen rondom de Straat van Hormuz. Europa wil minder afhankelijk worden van olie en gas. Eerst leek gas in de vorm van LNG uit Qatar nog een alternatief voor Russisch gas, maar dat blijkt steeds meer een oplossing uit de categorie van de regen in de drup. Gevoegd bij het feit dat de wereldeconomie veel minder afhankelijk is van olie dan een halve eeuw geleden, maakt het onwaarschijnlijk dat er na deze oliecrisis in de toekomst nog een vergelijkbare oliecrisis zal volgen.

Wie op dit moment naar de economische indicatoren kijkt – industriële productie, inkoopmanagersindices, bedrijfswinsten – ziet een beeld dat moeilijk te rijmen valt met het recessieverhaal. De economische groei is eerder sterker dan zwakker. De arbeidsmarkt blijft krap, de consument blijft besteden en de investeringscyclus in kunstmatige intelligentie en datacenters zorgt voor een structurele vraagimpuls. Dat is niet het decor van een naderende recessie. Het is het decor van een economie die weliswaar vertraagt ten opzichte van de piek, maar die ver verwijderd is van krimp.

Daarbij komt dat de omgeving voor beleggers juist aantrekkelijker is geworden. De winsten stijgen sterker dan de koersen, wat betekent dat waarderingen eerder dalen dan stijgen. Als de olieprijs daalt, is het zeer waarschijnlijk dat de inflatie terugzakt tot onder de ‘tweeprocentdoelstelling’ van de centrale banken en dat de rente ook omlaaggaat. Dat is het Goldilocks-scenario in zijn meest uitgesproken vorm: niet te heet, niet te koud, en met een dalende olieprijs als extra smeermiddel.

Bovendien reageert de beurs op de afnemende kansen dat de Republikeinen in november de verkiezingen winnen, waardoor Trump een lame duck-president dreigt te worden. Dat betekent voorafgaande aan de verkiezingen belastingverlaging, deregulering en onconventioneel handelsbeleid in de vorm van meer deals, alles om de kiezers (en beleggers) te behagen. De vooruitzichten voor beleggers zijn daarmee positiever dan ze deze eeuw zijn geweest. De combinatie van dalende olieprijzen, afnemende inflatie, lagere rentes, stijgende winsten en een politiek klimaat dat de markt ondersteunt, komt niet vaak voor. Party like it’s 1999.

Han Dieperink is chief investment officer bij Auréus Vermogensbeheer. Hij was eerder in zijn loopbaan chief investment officer van Rabobank en Schretlen & Co.

Author(s)
Categories
Access
Members
Article type
Column
FD Article
No