De consensus rekent ook dit jaar op een zwakkere dollar, wijzend op hoge Amerikaanse schulden, begrotingstekorten en geopolitieke risico’s. Vorig jaar leek die visie te kloppen. Maar wie naar de onderliggende fundamenten kijkt, ziet een ander verhaal: versnellende productiviteitsgroei in de VS maakt een sterkere dollar in 2026 juist aannemelijk.
De productiviteitskloof
De Verenigde Staten laten al jaren een hogere productiviteitsgroei zien dan Europa. Amerikaanse techbedrijven domineren de wereld, de financiële sector is innovatiever, en zelfs traditionele industrieën profiteren van betere automatisering en digitalisering. Het resultaat: per gewerkt uur produceert een Amerikaan meer waarde dan een Europeaan. Als bedrijven productiever zijn, kunnen ze hogere lonen betalen. Een softwareontwikkelaar in Silicon Valley verdient veel meer dan zijn evenknie in Berlijn, niet omdat hij harder werkt, maar omdat de waarde die hij creëert groter is. Datzelfde geldt voor ingenieurs, consultants en managers in bedrijven die concurreren op de wereldmarkt. Die hogere lonen in dergelijke sectoren trekken het hele loonniveau omhoog.
Stel je voor dat je een kelner bent in San Francisco. Je concurreert niet rechtstreeks met techbedrijven, maar je concurreert wel op de arbeidsmarkt. Als een softwarebedrijf 250.000 dollar per jaar betaalt voor een programmeur, moet een restaurant fatsoenlijke lonen bieden om überhaupt personeel te vinden. Anders vertrekt iedereen naar sectoren waar meer te verdienen valt, of verhuizen ze naar andere steden. Ook in sectoren die niet productiever zijn geworden, stijgen de lonen. Een kapper in New York knipt niet meer hoofden per dag dan een kapper in Rome, maar moet wel meer betaald krijgen omdat het algemene loonniveau in Amerika hoger ligt. En als zijn loon stijgt terwijl zijn productiviteit gelijk blijft, moet hij zijn prijzen verhogen. Dit geldt voor de hele dienstensector: restaurants, zorg, onderwijs, lokaal transport. Overal waar productiviteit niet of nauwelijks stijgt, maar lonen wel omhoog moeten, worden diensten duurder. En omdat diensten een groot deel van onze economie uitmaken, stijgt het algemene prijsniveau.
Europa’s achterstand
In Europa gebeurt precies het omgekeerde. Lagere productiviteitsgroei betekent bescheidener loongroei in de concurrerende sectoren, wat doorwerkt in de hele economie. Een Italiaanse barista verdient minder dan zijn Amerikaanse collega, niet omdat hij slechter is in koffiezetten, maar omdat het algemene productiviteitsniveau in Italië lager ligt. Daardoor blijven diensten in Europa relatief goedkoop. Een kapperbeurt in Madrid kost de helft van San Francisco, een restaurantbezoek in Parijs is betaalbaarder dan in New York. Europa’s prijsniveau stijgt langzamer dan dat van Amerika.
Als prijzen in Amerika sneller stijgen dan in Europa, ontstaat er een onevenwichtigheid. Voor dezelfde dollar kun je in Amerika steeds minder kopen, terwijl je in Europa meer krijgt voor je euro. Dat betekent dat de dollar te zwak is – of de euro te sterk. Om het evenwicht te herstellen, moet de dollar sterker worden ten opzichte van de euro. Die sterkere dollar compenseert de hogere Amerikaanse prijzen. Het is geen teken van zwakte van Europa of een beleidsfout, maar een natuurlijke aanpassing aan productiviteitsverschillen.
Dubbele winst voor Amerika
Amerika wint twee keer. Ten eerste stijgen de reële inkomens: Amerikanen verdienen meer en kunnen meer kopen. Ten tweede versterkt de dollar, wat buitenlandse goederen en reizen goedkoper maakt. Een Amerikaan die naar Europa reist, merkt hoe ver zijn dollars reiken, niet omdat Europa plots goedkoper is geworden, maar omdat zijn economie productiever is. Europa zit in de omgekeerde situatie. Lagere productiviteitsgroei betekent bescheidener inkomensgroei én een zwakkere munt. De Europeaan die naar New York reist, schrikt van de prijzen: door de hogere Amerikaanse prijzen én door de zwakkere euro.
Amerika heeft zwaar geïnvesteerd in technologie, innovatie en flexibele arbeidsmarkten. Europa heeft andere prioriteiten gesteld: sociale zekerheid, regulering, voorzichtigheid bij nieuwe technologieën. Dergelijke keuzes hebben hun prijs. Amerika kent grotere ongelijkheid en minder zekerheid. Europa kent meer stabiliteit, maar achterblijvende productiviteit. En die productiviteitskloof vertaalt zich in valutaverschillen. Dat de dollar vorig jaar verzwakte, verandert niets aan deze fundamentele dynamiek. Wisselkoersen schommelen op korte termijn door allerlei factoren: rentebeleid, politieke onzekerheid, kapitaalstromen. Maar op langere termijn winnen de fundamenten.
Als de Amerikaanse productiviteitsgroei dit jaar versnelt door kunstmatige intelligentie dan is een sterkere dollar logisch. Schulden en tekorten zijn relevant, maar secundair aan productiviteit. Een land met hoge schulden maar sterke productiviteitsgroei kan zijn verplichtingen makkelijker dragen dan een land met lage schulden maar stagnerende productiviteit. Zolang Europa achterblijft in productiviteit, is een zwakkere euro niet het probleem, maar de uitkomst. Voor Europa is de uitdaging helder: wil je een sterkere munt, investeer dan in een hogere productiviteitsgroei.