De oorlog tegen Iran duurt inmiddels een maand en de gevolgen tekenen zich in snel tempo af. Het conflict is gestart als een Amerikaans-Israëlische operatie gericht tegen het Iraanse nucleaire programma en het regime in Teheran. Maar terwijl de Verenigde Staten en Israël de bommen werpen, incasseert Europa de zwaarste economische klappen. Het gevolg van decennia aan falend Europees energiebeleid, strategische afhankelijkheid en het ontbreken van geopolitieke slagkracht.
Per saldo daalden Europese aandelen met 9 procent in de eerste vier weken van de oorlog. Waar Europa een maand geleden nog beter presteerde dan de wereldindex, is het nu weer een achterblijver.
De meest directe klap komt via de energiemarkten. De Straat van Hormuz, het smalste en meest kwetsbare geopolitieke middelpunt van de mondiale energiehandel, zit vrijwel dicht. Voor de oorlog liep dagelijks circa 20 procent van de wereldwijde olieproductie en een vergelijkbaar aandeel van de LNG-handel via deze zeestraat. De Iraanse dreiging heeft het commerciële scheepvaartverkeer nagenoeg stilgelegd.
Voor Europa kon de timing nauwelijks slechter. Na een strenge winter waren de Europese gasvoorraden al gezakt tot onder de 30 procent van de capaciteit, het laagste niveau in vijf jaar. De Europese gasprijs op de TTF-benchmark is sinds eind februari verdubbeld tot boven de 50 euro per megawattuur, de sterkste stijging sinds de Russische invasie van Oekraïne in 2022.
Het verlies van Qatarees LNG maakt de situatie nog nijpender. Qatar is na de Verenigde Staten de grootste LNG-exporteur ter wereld en een cruciale leverancier voor Europa. Na de Iraanse droneaanval op de faciliteiten van QatarEnergy in Ras Laffan, werd de productie stilgelegd en kondigde het bedrijf force majeure af. Zelfs als het conflict vandaag zou eindigen, duurt het weken tot maanden voordat de Qatarese productie volledig is hersteld. Europa, dat zich na het verlies van Russisch pijpleidinggas massaal op LNG heeft gestort, staat nu voor een tweede energiecrisis in vier jaar tijd.
De economische doorwerking is al zichtbaar. De inkoopmanagersindex voor de eurozone daalde in maart naar 50,5, het laagste niveau in tien maanden en nauwelijks boven de stagnatiegrens. Tegelijkertijd stegen de inputkosten voor bedrijven tot het hoogste punt in meer dan drie jaar, gedreven door hogere energieprijzen, brandstofkosten en verstoringen in het maritieme transport. Het is de klassieke stagflatoire cocktail die beleidsmakers het meest vrezen: stagnerende groei gecombineerd met oplopende inflatie. De Europese Centrale Bank waarschuwt inmiddels dat een langdurig conflict grote energieafhankelijke economieën als Duitsland en Italië in een recessie kan duwen. De Duitse industrie, van chemie tot machinebouw, kijkt aan tegen extra energiekosten van 30 tot 40 miljard euro op jaarbasis als de huidige prijzen aanhouden.
De vergelijking met de Verenigde Staten is ontnuchterend. Amerika is de afgelopen vijftien jaar getransformeerd tot de grootste olie- en gasproducent ter wereld. De schalierevolutie heeft de VS niet alleen energieonafhankelijk gemaakt, maar ook tot netto-exporteur. Terwijl Europese bedrijven worstelen met verdubbelde energieprijzen, profiteert de Amerikaanse industrie van relatief lage binnenlandse prijzen. De spread tussen WTI en Brent, de twee leidende oliebenchmarks, is in de afgelopen weken fors opgelopen, een directe weerspiegeling van het verschil tussen de geïsoleerde Amerikaanse markt en de internationale markt die de volle geopolitieke risicopremie moet absorberen. Europa betaalt die premie.
Wat deze crisis extra pijnlijk maakt, is dat Europa geen enkele invloed heeft op het verloop van het conflict. De oorlog is geïnitieerd door de Verenigde Staten en Israël, zonder overleg met Europese bondgenoten. Europa mag de brokken opruimen zonder aan tafel te zitten. De reactie van Europese leiders beperkt zich tot oproepen tot de-escalatie en het veroordelen van Iraanse vergeldingsaanvallen, maar van een eigen diplomatieke strategie is nauwelijks sprake. NAVO-secretaris-generaal Mark Rutte verklaarde dat Europa de Amerikaanse aanvallen op Iran ‘steunt’, maar die steun vertaalt zich niet in enige invloed op de koers van het conflict of de voorwaarden voor beëindiging ervan.
Het conflict legt een structureel probleem bloot dat na de Oekraïne-crisis al duidelijk had moeten zijn. Europa heeft zijn afhankelijkheid van Russisch gas verruild voor een afhankelijkheid van LNG, zonder daarmee zijn kwetsbaarheid fundamenteel te verminderen. De leverancier is veranderd, het onderliggende risico niet.
Zolang Europa voor meer dan de helft van zijn energiebehoefte afhankelijk blijft van import, zal elke geopolitieke crisis in het Midden-Oosten, de Kaukasus of elders direct doorwerken in de Europese economie. De les van de Suezcrisis in 1956, van de oliecrises in de jaren zeventig, van de Russische invasie van Oekraïne en nu van de oorlog tegen Iran is steeds dezelfde: strategische autonomie op het gebied van energie is geen luxe, maar een voorwaarde voor economische stabiliteit.
Europa is momenteel het continent dat de hoogste prijs betaalt voor een conflict waar het geen partij in is. De combinatie van stijgende energieprijzen, stagnerende groei en toenemende onzekerheid maakt Europese aandelen op korte termijn kwetsbaar, met name in energie-intensieve sectoren als chemie, basisindustrie en transport.
Tegelijkertijd zou de huidige crisis wel eens de definitieve katalysator kunnen zijn voor een versnelling van de Europese energietransitie. Investeringen in hernieuwbare energie, elektrificatie, en het verminderen van fossiele afhankelijkheid zijn niet langer alleen een klimaatverhaal, maar een kwestie van economische veiligheid. De vraag is niet of Europa die transitie moet maken, maar of het de politieke wil kan opbrengen om het nu, onder druk, daadwerkelijk te doen.
Han Dieperink is chief investment officer bij Auréus Vermogensbeheer. Hij was eerder in zijn loopbaan chief investment officer van Rabobank en Schretlen & Co.