Make up
makeup.jpg

Renteafdekking mag weer wat opbrengen. In het nieuwe pensioenstelsel is dekkingsgraad niet langer de alfa en de omega. Pensioenfondsen krijgen daarmee meer mogelijkheden om rendement te maken met hun matchingportefeuille. De eerste wijzigingen: de credit-portefeuille wordt verkort en gesecuritiseerde obligaties rukken op.

Dat het nieuwe Nederlandse pensioenstelsel wellicht het einde zou inluiden van Liability Driven Investments (LDI), dat was een mogelijkheid ‘die wel eens ter sprake is gekomen’, zegt Jan Willemsen. Hij zegt het met een glimlach: het is er namelijk niet van gekomen. 

Willemsen, bij Columbia Threadneedle verantwoordelijk voor de LDI-oplossingen van Europese klanten, is daar niet rouwig om. ‘De oorsprong van LDI ligt in het belang dat de dekkingsgraad had voor Nederlandse pensioenfondsen. Dat de centrale functie van die dekkingsgraad nu is weggevallen, wil niet zeggen dat pensioenfondsen geen rente- of inflatierisico’s meer willen of moeten afdekken.’

Ook in het nieuwe stelsel, een defined contribution-stelsel met wisselende vormen van solidariteit, blijven zowel deelnemers als pensioenfondsen te maken houden met verplichtingen en bijbehorende risico’s. Deelnemersvermogens zijn immers bestemd voor uitkering en daarmee gevoelig voor risico’s, die zwaarder gaan wegen naarmate deelnemers ouder worden. En voor de verschillende componenten van het vermogen dat voor risico van het fonds komt gelden specifieke beleggingsdoelstellingen.

Het beheer van de MVEV-reserve (de absolute ondergrens voor het vermogen van een Nederlands pensioenfonds, vastgesteld door De Nederlandsche Bank) moet bijvoorbeeld aan andere eisen voldoen dan dat van de IBNR, de voorziening om verwachte premievrijstellingen bij arbeidsongeschiktheid op te vangen. Willemsen: ‘Het nominaal renterisico afdekken, de reële waarde behouden, inflatiecorrectie: voor elk van de doelstellingen van het fondsvermogen - meestal zo’n 5 tot 10 procent van het totaal - zet je weer een andere combinatie van beleggingscategorieën in.’

Bredere rol voor beschermingsstrategieën

Deze assetmix is echter geen onveranderlijke grootheid en dat geldt zeker voor de assetallocatie binnen de matchingportefeuilles voor het deelnemersvermogen. ‘De pensioenfondsen die dit jaar zijn overgestapt naar het nieuwe stelsel, dekken hun renterisico’s ongeveer 20 procent minder af dan voorheen, zo schatten wij’, zegt Willemsen. ‘Maar vervolgens zien we deze beschermingsstrategieën een bredere rol krijgen - ze vinden hun toepassing voor al die verschillende vermogenscomponenten - en we zien meer differentiatie in die strategieën.’

Want de dekkingsgraad mag dan zijn almachtige status verloren zijn, dat wil niet zeggen dat pensioenfondsen nu álle vrijheid hebben om onbekommerd voor het maximale rendement te gaan en zich niks van verplichtingen aan te trekken. ‘Soms zelfs integendeel’, stelt Willemsen, ‘want sommige onderdelen van het nieuwe stelsel bevorderen juist de volatiliteit en in veel gevallen is het complexer geworden om de kasstromen goed te laten aansluiten op de verplichtingen’. Dat blijft nog steeds hoogstnoodzakelijk, benadrukt hij: ‘Pensioenfondsen zijn terecht bijzonder op hun hoede voor een mismatch in dit opzicht.’

Nieuwe bouwblokken

Bij Columbia Threadneedle heeft deze toegenomen volatiliteit (van kasstromen) in combinatie met de minder strikte ‘dekkingsgraadregels’ geleid tot nieuwe bouwblokken in de LDI-fondsen: korte credits en gesecuritiseerde obligaties.

‘De korte credits zijn meer liquide en geven dus meer flexibiliteit om aan de sterker wisselende kasstroombehoeften te voldoen’, legt Willemsen uit. ‘Maar ze geven een iets lager rendement dan lange credits en mede daarom voegen we ook gesecuritiseerde obligaties toe, zowel Amerikaanse als Europese. Die hebben een aantrekkelijke spread en kennen een lager risico dan individuele bedrijfsobligaties.’

Deze ‘nieuwe’ categorieën maken een einde aan de traditionele allocatie binnen liquide matchingportefeuilles, die veelal voor 50 procent uit staatsobligaties en 50 procent uit bedrijfsobligaties bestond. Het aandeel korte credits kan volgens Columbia Threadneedle oplopen tot 25 procent en dat van gesecuritiseerde obligaties tot 15 procent. Voor staats- en bedrijfsobligaties blijft dan ‘maar’  twee keer 30 procent over. Willemsen: ‘Uiteraard verschilt de verdeling per fonds, afhankelijk van de bestuursstijl en de risicobereidheid.’

Columbia Threadneedle heeft commercieel succes met deze uitbreiding van de LDI-aanpak en boorde recent, naast de Nederlandse en Duitse markt, ook de Belgische markt van ondernemingspensioenfondsen aan. 

Spannende tijden
De overgang naar het Nederlandse pensioenstelsel vergde veel inspanning. ‘Een flink deel van onze klanten, waaronder de grootste, stapte over per 1 januari 2026’, zegt Willemsen. ‘Vrijdag 2 januari zaten wij dus al vroeg aan de knoppen om die overgang ook wat betreft de risicoafdekkingen te realiseren. Dat was best spannend, vooral de reactie van de swapmarkt als een flink aantal grote spelers daar zouden bewegen. Maar het verliep zonder problemen, we konden genoeg liquiditeit vinden.’

Eind dit jaar kan het overigens opnieuw spannend worden, vermoedt Willemsen. Het gaat Columbia Threadneedle minder aan (‘onze grootste klanten zijn dus al over’) maar de grootste Nederlandse pensioenfondsen qua vermogen gaan op 1 januari 2027 over op het nieuwe stelsel. Willemsen: ‘Het aandeel van Nederlandsen pensioenfondsen in de markt van dertigjarige staatsleningen bijvoorbeeld bedraagt tientallen procenten. Het is moeilijk te voorspellen wat er in die markt zal gebeuren als die vermogens allemaal tegelijk gaan bewegen.’

Author(s)
Categories
Access
Members
Article type
Article
FD Article
No