De mislukte samenwerking tussen het Italiaanse Generali en het Franse BPCE is meer dan een afgeketste deal in het Europese vermogensbeheer. Ze laat zien hoe moeilijk het voor Europa is om financiële schaal te bouwen zodra een project echt grensoverschrijdend wordt, en hoe protectionistische reflexen, juridische onzekerheid en half afgemaakte integratie samen een deal kunnen verstikken.
In Brussel en in nationale hoofdsteden wordt geregeld gesproken over het belang van Europese financiële kampioenen. Tegelijk is de Europese politiek fundamenteel verdeeld over de vraag hoeveel verdere eenwording wenselijk is. Juist die verdeeldheid werkt door in de uitvoering: ambities raken verstrikt in juridische procedures, nationale belangen en een integratieproces dat halverwege blijft steken.
Het project zelf was overzichtelijk. Generali Investments Holding en Natixis Investment Managers, onderdeel van BPCE, wilden samen een joint venture oprichten met hoofdkantoor in Amsterdam. Met circa 1.900 miljard euro aan beheerd vermogen, een jaarlijkse omzet van 4,1 miljard euro en ongeveer 6.500 medewerkers zou het nieuwe bedrijf direct tot de grootste vermogensbeheerders van Europa behoren. In omzet zou het zelfs marktleider Amundi, onderdeel van Crédit Agricole, voorbijstreven, al blijft Amundi met circa 2.200 miljard euro aan assets de grootste in beheerd vermogen.
Concurrentie
De timing was geen toeval. In een wereld waarin Amerikaanse vermogensbeheerders als Blackrock en Vanguard steeds dominanter worden, geldt schaal als een noodzakelijke voorwaarde om concurrerend te blijven. Ook binnen Europa groeit de druk om te consolideren. Juist daarom was de Generali–BPCE-deal een zeldzame poging om Europese schaal te creëren buiten de vertrouwde nationale kaders.
Dat het project op 11 december werd afgeblazen, is veelzeggend. In een gezamenlijke verklaring stelden Generali en BPCE dat ‘de voorwaarden om tot een definitieve overeenkomst te komen momenteel niet aanwezig zijn’. Tegelijk benadrukten ze dat zij ‘zich blijven inzetten voor de ontwikkeling van een bloeiende financiële sector met wereldwijd concurrerende Europese kampioenen, die bijdragen aan het economische succes van de regio’.
De formele uitleg onderstreept de spanning die dit soort projecten kenmerkt. In woorden blijft de ambitie tot Europese schaal onverminderd aanwezig, maar in de praktijk blijkt de omgeving waarin financiële instellingen opereren structureel onvriendelijk voor grensoverschrijdende groei.
Hybride probleem
Wat hier zichtbaar wordt, is een hybride probleem. Politieke voorzichtigheid, juridische onzekerheid en de uitwerking van Europese regelgeving zijn nauw met elkaar verweven. Ze versterken elkaar en maken het moeilijk om oorzaak en gevolg nog scherp te scheiden. In zo’n institutionele kluwen wordt slagvaardig optreden al snel structureel lastig.
Zowel econoom Lorenzo Codogno, voormalig hoofdeconoom van het Italiaanse ministerie van Financiën, als oud-ECB-toezichthouder Ignazio Angeloni zien in die dynamiek een hernieuwde vorm van protectionisme. Niet langer alleen gericht op externe concurrentie, maar steeds vaker ook binnen Europa zelf. Nationale belangen, toezichtculturen en juridische instrumenten worden opnieuw ingezet om grip te houden op de eigen financiële sector.
‘De stemming is wereldwijd veranderd’, zegt Codogno tegen Investment Officer. ‘Het is bescherming, bescherming, bescherming.’
Nationale kaders
Dat blijkt ook uit de manier waarop kapitaal en liquiditeit nog altijd langs nationale lijnen worden georganiseerd. Ondanks jarenlange discussies over de voltooiing van de bankenunie blijven grensoverschrijdende fusies onaantrekkelijk, juist omdat Europa institutioneel nog niet klaar is voor financiële kampioenen. Kapitaal kan niet vrij binnen internationale groepen worden ingezet, toezichthouders blijven nationaal verankerd en politieke steun verdampt zodra integratie concreet wordt. Precies op die momenten steken politieke terughoudendheid en protectionistische reflexen opnieuw de kop op. Het resultaat is een systeem dat voorzichtigheid beloont en schaal afremt.
In het geval van Generali kwam daar nog een specifiek Italiaans element bij. Volgens Ignazio Angeloni, voormalig lid van de toezichtsraad van de Europese Centrale Bank, had de deal waarschijnlijk doorgang gevonden als de zeggenschapsverhoudingen in Generali niet waren verschoven.
‘Die combinatie was waarschijnlijk doorgegaan als Banca Monte dei Paschi di Siena Mediobanca niet had overgenomen’, zegt Angeloni in een interview.
Via die overname kregen grootaandeelhouders Delfin en zakenman-miljardair Francesco Caltagirone meer invloed op Generali, wat de eigendomsstructuur en strategische speelruimte van de verzekeraar ingrijpend veranderde. Die machtsverschuiving raakte vervolgens verstrengeld met een gerechtelijk onderzoek naar de privatisering van Monte dei Paschi. Formeel heeft dat onderzoek niets te maken met de Generali–BPCE-deal, maar de juridische schaduw daarvan was volgens Angeloni voldoende om de ruimte voor strategische beslissingen drastisch te beperken.
Verborgen agenda in Italië?
Hij acht het zelfs mogelijk dat dit gerechtelijk onderzoek voortkwam uit een protectionistische gedachte in overheidskringen. ‘Het lopende gerechtelijke onderzoek naar de privatisering van Monte dei Paschi suggereert dat een van de doelstellingen van de regering, als onderdeel van haar bredere interventiestrategie, juist kan zijn geweest om die combinatie tussen de twee vermogensbeheerders te blokkeren’, zegt Angeloni.
‘Hoewel beide gebeurtenissen verschillen in timing en motivatie, wijzen ze wel in dezelfde richting: het versterken van nationalisme binnen het Europese bankwezen en het organiseren van de sector langs strikt nationale schotten.’
Daar komt bij dat de Europese regelgeving zelf fragmentatie in stand houdt. Het toezicht is in belangrijke mate Europees georganiseerd, maar de verantwoordelijkheden blijven nationaal. Voor toezichthouders zijn grensoverschrijdende structuren complexer en risicovoller dan binnenlandse. Voor banken en vermogensbeheerders maakt dat schaalvoordelen lastig realiseerbaar. Voor beleggers vertaalt het zich in lagere rendementen en minder concurrerende Europese spelers.
Politieke wil
Is daarmee alles verloren? Nicolas Véron, senior fellow bij denktank Bruegel, vindt dat een te sombere conclusie. Volgens hem is de Europese Unie niet verlamd.
‘De EU heeft de afgelopen tien jaar wel degelijk belangrijke besluiten genomen’, zegt Véron, wijzend op het gezamenlijke bankentoezicht en recente stappen op het gebied van antiwitwasbeleid. ‘De huidige verdragen functioneren op zichzelf goed genoeg.’
Het echte knelpunt ligt volgens Véron bij de politieke wil. Juist in landen waar financiële diensten een belangrijke economische pijler vormen, is de bereidheid om macht en controle op te geven beperkt. Integratie verloopt daardoor via kleine stappen en moeizame compromissen, niet via grote sprongen voorwaarts. In kapitaalmarkten en vermogensbeheer is nog ruimte voor geleidelijke vooruitgang, maar ook daar geldt: zonder politieke rugdekking blijft schaal vooral een belofte.
De Generali–BPCE-deal laat zo zien hoe Europa zichzelf in de weg zit. Niet door een gebrek aan kapitaal, kennis of ambitie, maar door een institutioneel kader dat stabiliteit verkiest boven dynamiek. Zolang nationale belangen zwaarder wegen dan Europese schaal, blijven financiële kampioenen vooral een politiek ideaal.