Verzekeraars die ondernemingspensioenfondsen ‘uitkopen’, nemen daarbij geen beleggingsexpertise over. Zwitserleven, ASR, NN en Achmea kochten de afgelopen paar jaar zo’n vijftien ondernemingspensioenfondsen op - met een belegd vermogen van ruim 7 miljard euro - maar daarbij verhuisden de beleggingsprofessionals niet mee.
Deze ‘langzaam afkalvende’ werkgelegenheid in pensioenbeleggen zet zich de komende jaren voort, zo is de aanname.
Athora Nederland, met het merk Zwitserleven de grootste partij op deze markt, heeft een viertal buy-outs in de pijplijn voor een bedrag van nog eens 6 miljard euro, valt op te maken uit recente persberichten van de pensioenfondsen van BP, AT&T, Campina en Delta Lloyd. Achmea, dat zich sinds eind vorig jaar nadrukkelijk op deze markt richt, stelt dat in het buy-outsegment ‘naar verwachting 20 tot 30 miljard euro beschikbaar komt’.
Het aantal ondernemingspensioenfondsen is sinds 2022 met 27 procent gedaald, zo blijkt uit cijfers van DNB, van 124 tot 91. Dat is in aantal nog steeds een marktaandeel van 60 procent (DNB telt op dit moment 151 pensioenfondsen), maar in pensioenvermogen daalde het marktaandeel van deze ‘kleine’ pensioenfondsen van bijna 20 maar 16,4 procent. Bedrijfstakpensioenfondsen, zoals ABP, PGGM en BpfBouw, nemen het overgrote deel van het pensioenvermogen voor hun rekening. Ondernemingspensioenfondsen zijn niet alleen door buy-outs ‘verdwenen’. In meerdere gevallen zijn ze gefuseerd met andere fondsen of aangesloten bij een APF.
Een buy-out houdt in dat het vermogen wordt overgedragen aan een verzekeraar, die vervolgens alle aanspraken en uitkeringen aan de deelnemers - zoals afgesproken in de pensioenregeling - garandeert. In ruil daarvoor ontvangt de verzekeraar een prijsopslag, die kan variëren van enkele procenten tot meer dan 10 procent van het pensioenvermogen. Kleinere en complexere pensioenfondsen betalen meer. Bovendien drijven steviger garanties de prijs op. Zo is in diverse recente overeenkomsten 100 procent inflatiecorrectie afgesproken. Het pensioenfonds koopt de verzekeraar af met een hogere prijsopslag, omdat die dat risico op zich neemt.
Buy-outs pensioenfondsen Nederlandse markt
De vorig jaar flink opgelopen dekkingsgraden maken dit mogelijk. Door de stijgende rente daalden de verplichtingen van pensioenfondsen en dat leverde hen een kapitaalsurplus op. Dit surplus wordt nu gebruikt om buy-outs te kunnen afsluiten tegen voor deelnemers gunstige voorwaarden - zoals de genoemde 100 procent indexatie.
Dat veel ondernemingspensioenfondsen zouden verdwijnen, lag met de komst van het nieuwe pensioenstelsel in de lijn der verwachting. Overstappen naar dat nieuwe stelsel zou voor veel kleine fondsen - en ook voor gesloten fondsen - een overdreven en dure stap zijn. Bij de buy-outs van de afgelopen jaren zitten fondsen met maar enkele tientallen miljoenen euro’s aan vermogen.
Verzekeraars voegen het overgedragen pensioenvermogen toe aan ‘de grote pot’ en ontwikkelen daarvoor geen apart beleggingsbeleid. Desgevraagd geven de vier Nederlandse partijen op deze markt aan dat de buy-outs niet gepaard zijn gegaan met het ‘meeverhuizen’ van mensen of beleggingsexpertise.
Er zijn geen cijfers bekend over het aantal arbeidsplaatsen in beleggingsfuncties dat vervalt door buy-outs van ondernemingspensioenfondsen. ‘Enkele tientallen’ lijkt een redelijke schatting te zijn, gebaseerd op het vermogen dat intussen is overgegaan, met daarbij opgeteld het vermogen dat volgens de schatting van Achmea de komende jaren nog zal overgaan. Het totaal van die optelsom is 40 tot 45 miljard euro. Een - zeer grove - vuistregel leert dat assetmanagers per miljard euro een belegger aanstellen. Die vuistregel is sterk afhankelijk van de gekozen strategieën.