Het duidelijke reflatiebeleid van premier Takaichi maakt Japan opnieuw aantrekkelijk voor beleggers, ook al staat het rentetarief met 0,75 procent op het hoogste niveau in dertig jaar. De paniek rond de afwikkeling van de yen carry trade, die twee jaar geleden nog voor wereldwijde onrust zorgde, lijkt daarmee definitief naar de achtergrond verdwenen.
Eind vorig jaar verhoogde de Bank of Japan het rentetarief van 0,5 naar 0,75 procent. Toen de centrale bank onverwachts de rente verhoogde van 0 naar 0,25 procent in 2024, was het nog reden voor beleggers om massaal de uitgang te zoeken, maar dit keer is het anders. De toonaangevende Nikkei-index is sinds het besluit van de BoJ met circa 13 procent gestegen.
‘Het risico in de Japanse rente zit niet langer aan de bovenkant, maar juist aan de onderkant’, zegt Claire Huang, hoofd macrostrategisch onderzoek voor Noord-Azië bij Amundi Asset Management. ‘De aantrekkelijke waardering en toenemende buitenlandse vraag kunnen ertoe leiden dat de langtermijnrente eerder daalt dan stijgt.’
Of er al sprake is van binnenlandse repatriëring, is volgens Huang nog onduidelijk. Zij wijst erop dat het Japanse pensioenfonds GPIF in 2025 besloot de strategische allocatie voor de periode 2025–2030 ongewijzigd te laten: 25 procent Japanse obligaties, 25 procent buitenlandse obligaties, 25 procent Japanse aandelen en 25 procent buitenlandse aandelen. Het GPIF nam dat besluit ondanks de oplopende rente en verschuift voorlopig niet grootschalig naar binnenlandse obligaties.
Duidelijk beleid
Bij andere beleggers is het beeld van Japan de laatste maanden verschoven van dat van zorgenkind met een torenhoge schuldenlast en politieke fragmentatie naar dat van een land met een duidelijk beleidskompas. Vooral het kristalheldere reflatieprogramma van Sanae Takaichi, Japans eerste vrouwelijk premier, geeft hen houvast en vertrouwen.
Takaichi werd in oktober 2025 verkozen als partijleider en premier, maar het was de vervroegde parlementsverkiezing van 8 februari 2026 die de toon zette. Haar politieke partij, de Liberal Democratic Party (LDP) won 316 van de 465 zetels, een ‘supermeerderheid’. De partij veroverde daarmee het grootste aantal stemmen ooit in het Japanse Lagerhuis. Met die tweederdemeerderheid kan Takaichi haar agenda vrijwel zonder parlementaire weerstand doorvoeren, zelfs voorbij het Hogerhuis waar de coalitie geen meerderheid heeft.
‘Tegelijkertijd hebben beleggers inmiddels een concreter en meer gedetailleerd beeld van haar beleidsplannen’, aldus Huang. Haar beleidsagenda, door analisten van Nomura en AllianceBernstein ‘Sanaenomics’ gedoopt, breekt fundamenteel met twee decennia aan fiscale orthodoxie.
Takaichi stuurt niet langer op het jaarlijkse begrotingstekort, maar op de staatsschuld als percentage van de economie. Zolang de economie sneller groeit dan de schuld, daalt die verhouding vanzelf. Dat betekent niet dat Japan de discipline volledig loslaat. In internationaal perspectief is het primaire tekort zelfs relatief beperkt met circa 1 procent van het bbp.
Primaire tekort als percentage van GDP, 2024
Het doel van premier Takaichi is de economische groei aan te jagen, ook als dat tijdelijk tot een hogere staatsschuld leidt. Volgens Huang is het plan om die schuld geleidelijk te laten slinken via inflatie en gerichte investeringen. Met een inflatie van rond de 3 procent en een nominale groei van circa 4,5 procent kan de schuldquote dalen, zolang de economie sneller groeit dan de schuld. ‘Daalt de schuld in verhouding tot het bbp, dan gebeurt dat als het ware vanzelf’, aldus Huang.
De huidige geopolitieke spanningen creëren bovendien politieke ruimte voor extra overheidsuitgaven, met name op defensiegebied. Dat maakt een actiever begrotingsbeleid beter verdedigbaar. Tien jaar geleden lag dat anders. Haar grote voorbeeld Shinzo Abe conformeerde zich nadrukkelijker aan begrotingsdiscipline, zoals bepleit door internationale instellingen, waaronder het IMF.
‘De situatie is vergelijkbaar met Duitsland, waar eveneens meer ruimte is ontstaan voor overheidsstimulering’, zegt Huang. ‘Fiscaal risico maakt plaats voor een fiscale renaissance.’
Zeventien kritische sectoren
De Japanse overheid gaat gericht investeren in zeventien ‘kritische sectoren’. Naast defensie gaat het onder meer om halfgeleiders, batterijtechnologie, waterstof, kunstmatige intelligentie en kritieke grondstoffen. Daarbij liggen de kansen vooral in het small- en midcapsegment, stelt Aziëspecialist Huang. Japanse bedrijven houden veel cash aan die nu nog niet productief wordt ingezet, legt ze uit. De totale contanten en deposito’s van het Japanse bedrijfsleven vertegenwoordigen 56 procent van het bbp, wat veel hoger is dan in de eurozone met 24 procent en de VS met 9 procent.
Kasposities van bedrijven als percentage van het bbp
Doordat Japanse bedrijven veel cash oppotten, ligt hun rendement op eigen vermogen (ROE) met ongeveer 9 procent aanzienlijk lager dan in de Verenigde Staten. Het is minder dan de helft van het gemiddelde in de S&P500 en bovendien 2 tot 3 procentpunt lager dan bij vergelijkbare Europese bedrijven. Dat lijkt op het eerste gezicht een zwakte, maar wijst juist op aanzienlijk verbeteringspotentieel. Wanneer bedrijven hun kapitaal efficiënter inzetten, kan de winstgevendheid relatief snel stijgen.
Vooral small- en midcaps zijn interessant, vindt Huang, omdat veel van deze ondernemingen onder hun boekwaarde noteren. ‘De allocatie hiernaar hoeft niet complex te zijn. Regionale banken vormen al een goede afspiegeling van het reflatieverhaal.’
Rotatie uit de VS
Veel wereldwijde beleggers zijn volgens Huang nog altijd onderwogen in Japan. ‘Veel portefeuilles hebben slechts 4 of 5 procent naar Japan gealloceerd, terwijl het land ongeveer 6 procent van de benchmark uitmaakt. Soms ontbreekt Japan zelfs volledig in de allocatie.’ Volgens haar is Japan daarmee een onderschatte kans.
Huang verwacht dat Japan zal profiteren van de rotatie uit de Verenigde Staten, de regio die momenteel ongeveer driekwart van de benchmark vertegenwoordigt. De dollarindex daalde in 2025 met bijna 10 procent. Daarnaast draagt de onrust rond Trumps territoriale uitspraken over Groenland niet bij aan het vertrouwen in de VS als stabiele investeringsbestemming.