Met het aannemen van de Wet werkelijke rendement box 3 door de Tweede Kamer vorige week, introduceert Nederland vanaf 2028 ‘papieren winsten’ als grondslag voor heffing. Dat is volstrekt uniek voor Europa. De lappendeken aan oplossingen die Europa bedenkt voor deze belasting, krijgt daarmee een nieuwe toevoeging.
Economen zijn er meestal voorstander van, belastingadviseurs en hun klanten gruwen er vooral van: een vermogensaanwasbelasting zoals Nederland die vanaf 1 januari 2028 invoert, is onderwerp van verhitte discussies. Marnix Veldhuijzen, fiscalist en managing partner van Dentons in Nederland, oordeelt hard. ‘Het lijkt erop dat de Tweede Kamer het streven naar extra inkomsten moeilijk kan loskoppelen van de behoefte aan een rechtvaardig belastingstelsel’, zegt hij in gesprek met Investment Officer.
De vermogensaanwasbelasting (vab) leidt volgens Veldhuijzen tot ‘ongelofelijk onredelijke effecten’, vooral omdat het straks niet uitmaakt of de waardeaangroei die wordt belast ‘gerealiseerd’ is of ongerealiseerd. Met name voor illiquide beleggingen - bijvoorbeeld in private markten - kan dat tot problemen leiden. Veldhuijzen voorziet: ‘Dit nieuwe stelsel gaat leiden tot een aan hausse aan procedures.’
Het alternatief is een vermogenswinstbelasting (vwb), zoals die begin dit jaar ook in België werd ingevoerd, daar meerwaardebelasting genoemd. Overigens (eveneens) onder een stortvloed aan protesten - België kende voorheen nog geen belasting op vermogenswinsten. Maar de beginselen van de systematiek zijn hetzelfde zoals die in andere Europese landen worden toegepast, zij het in verschillende vormen. Nederland is dus in dat verband een buitenbeentje.
Flat rates als norm
Investment Officer inventariseerde voor een aantal landen de verschillende vormen van belasting op vermogenswinsten en -aanwas *. Vaste tarieven (flat rates) zijn de norm in België, Duitsland, Nederland, Polen en Italië, terwijl belastingplichtigen in Frankrijk en Portugal kunnen kiezen tussen vaste of progressieve tarieven. In dat laatste geval gelden dan de tarieven van de inkomstenbelasting. Spanje is van de tien landen uit de vergelijking het enige land met een progressieve heffing voor iedereen. De tarieven liggen wel onder die van de belasting van inkomen uit arbeid. Dat geldt overigens ook voor alle flat rates.
Zo belasten enkele Europese landen de winst op aandelen en obligaties
Zwitserland en Luxemburg zijn de grote uitzonderingen. Luxemburg kent alleen een vermogenswinstbelasting voor speculatieve winsten (vermogensbestanddelen die korter dan zes maanden in bezit zijn geweest) en Zwitserland heft niet over de inkomsten uit vermogen, maar over het totale vermogen. Overigens had Nederland in de eerste periode van het stelsel met fictieve rendementen de facto ook zo’n vermogensbelasting. Tot 2017 betaalde ‘iedereen’ immers 1,2 procent per jaar over het gehele vermogen en werden werkelijke inkomsten verder niet belast.
Wat dan?
Dat fictieve systeem bleek echter, zoals bekend, juridisch niet houdbaar. Sinds het verbod van de Hoge Raad op ficties in 2021, buigen beleidsmakers, economen en fiscalisten zich over de vraag ‘wat dan?’. Aart Gerritsen, universitair hoofddocent aan de Erasmus School of Economics, mengt zich geregeld in het debat. Zo schreef hij vorig jaar nog voor de Tweede Kamer het wetenschappelijk factsheet Een economisch perspectief op box 3. Daarin constateert hij dat er een redelijke consensus bestaat over de juistheid van belasten van werkelijk rendement, maar wijst hij ook op de grote meningsverschillen als het gaat om vermogenswinst- versus vermogensaanwasbelasting.
‘Economisch geniet een vab de voorkeur boven een vwb’, aldus Gerritsen. ‘De grondslagen verschillen niet - je heft belasting over dezelfde winsten - alleen geef je met een vwb meer mogelijkheden om die belasting te ontwijken. Belastingplichtigen kunnen namelijk zelf kiezen op welk moment ze de winsten realiseren en dat leidt tot uitstel. De verdisconteerde waarde van de opbrengsten neemt dan af.’
Economen kijken bovendien naar ‘verstoringen’, de mate waarin beleid de werking van economische mechanismen kan verstoren. ‘Zo kan een vwb ertoe leiden dat beleggers een voorkeur krijgen voor groei-aandelen in vergelijking met dividendfondsen of waarde-aandelen. De winst uit groei-beleggingen is immers vooral koerswinst en die wordt niet belast zolang je die niet incasseert.’
Nederland heeft dus voor de economisch gunstigste oplossing gekozen? Gerritsen: ‘Volgens mij wel, maar dat lijkt voor de politiek niet het doorslaggevende argument te zijn geweest. Doorslaggevend was dat een vab meteen belastinginkomsten genereert, terwijl je met een vwb gedurende een transitieperiode aanvankelijk veel minder ophaalt. De koerswinst van vóór 2028 blijft immers onbelast en de koerswinst over 2028 zou onder een vwb alleen belast worden bij verkoop van het onderliggende effect. Met een vab worden echter in 2028 meteen al alle gerealiseerde én ongerealiseerde koerswinsten belast.’
Vermogenswinstbelasting voor ingezetenen
Waarmee de econoom aansluit bij het bezwaar dat Veldhuijzen (Dentons) hierboven al uitte: de behoefte om geld binnen te krijgen is dominant geweest in de politieke discussie. ‘Box 3 bracht sinds jaar en dag 3 tot 4 miljard euro op en men heeft blijkbaar besloten dat dit bedrag omhoog moet’, aldus de fiscalist. Uit gegevens van het ministerie van Financiën blijkt overigens dat de opbrengsten recent al oplopen. De (geraamde) opbrengsten over 2023, 2024 en 2025 zijn respectievelijk 5,9, 6,9 en 8,6 miljard.
Worstelen
Veldhuijzen: ‘De enige echte reden waarom we nu een vermogensaanwasbelasting krijgen is dat de overheid het geld nodig heeft en de inverdientijd van een vwb niet kan afwachten. Dat zien we trouwens wereldwijd: overheden worstelen met oplopende begrotingstekorten en dus moet er meer belasting worden geheven. Voeg daarbij dat het maatschappelijk sentiment met betrekking tot vermogenden en ondernemers niet heel gunstig is. Die combinatie verklaart mede de hernieuwde belangstelling voor het zetten van volgende stappen in het belasten van vermogen.’
Het aannemen van de nieuwe wet in Nederland is zo’n stap. Waarbij overigens meteen duidelijk is dat het niet de laatste zal zijn. Over een week treedt het nieuwe kabinet aan van D66, VVD en CDA en in coalitieakkoord van die drie partijen wordt - bijna tussen neus en lippen - opgemerkt dat men ‘het nieuwe box 3-stelsel op werkelijk rendement’ wil doorontwikkelen ‘naar een vermogenswinstsystematiek’. Waarmee Nederland dan toch nog meer zou aansluiten bij wat in Europa gebruikelijk is.
* Disclaimer: deze vergelijking tussen een aantal Europese belastingregimes heeft zijn beperkingen. Om te beginnen is de keuze van de landen arbitrair. Voorts zijn de omschrijvingen van de tariferingen in de tabel compact en af en toe kort door de bocht, zonder de nuanceringen en (alle) uitzonderingen op de regels die de verschillende stelsels kennen. En bijvoorbeeld de regels voor verliescompensatie. Ten aanzien van het rekenvoorbeeld betekent dit onder meer dat er geen rekening gehouden is met alle vrijstellingen. Een gevolg van deze beperkingen is bijvoorbeeld dat niet kan worden geconcludeerd dat Nederland de hoogste belasting op vermogen van Europa heeft. Zo zijn Scandinavische landen niet in de vergelijking betrokken.